Caladrius

Caladrius in dertiende-eeuws bestarium, Bibliothèque nationale de France, Latin 14429 (bewerkt door JudyElf)

Lig je in je zwartste nacht,
radeloos en uitgeblust,
buiten menselijk bereik,
komt die vogel aangevlogen.

Hij vliegt door muur en raam,
hij landt bij wie daar wacht,
hij schudt zijn witte veren.
Je zoekt hem met je ogen.

Wie zal genezen kijkt hij aan.
Wendt hij zich af, dan moet je gaan.
De ziekste zieken geeft hij rust,
Caladrius.

© Judy Elfferich

.
Over de mythische vogel Caladrius

.
DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’.

 

 

Na mijn tijd

Grafengel - foto: © Judy Elfferich

Jij die nog leeft, die hier loopt langs de graven,
wind door je haren en zon op je huid,
jij die de jaren nog telt en de dagen,
die kunt genieten van vogelgefluit,
ben je gekomen voor mij?

Toen ik begraven werd, was je daarbij?
Wie heeft gezongen en wie heeft gesproken?
Wie hebben mij op hun schouders gedragen?
Wie heeft er op me geproost?

Wie heeft mijn liefste getroost?
Wie heeft mijn dagboek vernietigd?
Wie zijn er bang dat ik bij ze kom spoken?
Wie is nog altijd verdrietig?
Wie zijn mijn naam al vergeten?

Wie heeft mijn wrakke gitaar weggesmeten?
Wie kreeg mijn boeken en platen?
Wie zorgt er nu voor mijn rozen?
Wie fietst er nu in mijn jas door de stad?

Wie laat mijn hond uit en wie aait mijn kat?
Wie staat soms tegen mijn foto te praten?
Wie bewaart al mijn geheimen?
Wie heeft voor mij deze plek uitgekozen?
Wie ligt hier later ooit bij me?

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht heb ik gemaakt voor ‘Herinnering Verlicht’, de tweejaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Als een van de Witte Dichters* lees ik het daar voor aan bezoekers die op mijn witte-paraplu-met-lichtje afkomen.

Herinnering Verlicht 2019
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Raadsels

grafsteen, detail
Ligt opa Lezer hier begraven?
Ja, dat moeten we geloven
want zijn naam staat op de steen.

Of is hij ergens anders heen,
met zijn Aaltje de Zanger
(die lag er al langer)
naar de eeuwigheid gevlogen?

Mijn opa stond vaak stil bij ’t raam
naar boven te staren. Dan zag hij vast háár
(hij pakte zijn zakdoek) en ook al die straten
die niet meer bestaan maar waarover ze steeds
op verjaardagen praatten. Mistroostig gezicht.

Die ene keer vroeg ik het: ‘Heeft u verdriet?’
‘Welnee meid, m’n neus jeukt. Ik kijk in de zon want
ik wacht op een nies.’

Hatsjoe! En toen: ‘Juud, jij houdt toch zo van raadsels?
Ik weet er nog eentje: Waar kan alles in?

Waar kan alles in?! – Echt, ik kon het niet raden,
ik peinsde me suf en deed ’s nachts geen oog dicht
tot hij me verklapte: ‘Het zijn je gedachten.’

Ja! Daarin past alles wat ik kan verzinnen,
probeer te begrijpen of niet wil vergeten.
Allicht horen ook alle raadsels daarbij
die Niek Lezer me opgaf,
die opa van mij.

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht heb ik gemaakt voor ‘Herinnering Verlicht’, de tweejaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Als een van de Witte Dichters* lees ik het daar voor aan bezoekers die op mijn witte-paraplu-met-lichtje afkomen.

Herinnering Verlicht 2017
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Ecce puer

Born, died

Een kind komt voort
uit zwart weleer.
Droef, blij – verward
gaat mijn hart tekeer.

De levende ligt
er vredig bij.
Ontsluit zijn ogen
met medelij!

In jonge adem
op spiegelglas
geschiedt de wereld
die niet was.

Kind dat ik koester:
oud man die ik mis.
U, vader, verliet ik…
Vergiffenis!

James Joyce (1882-1941) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2017, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen E-N: klik.
Kleine Weense wals, mijn inzending S-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

.

Over Ecce puer

Kleine Weense wals

.
Egon Schiele, dubbel zelfportret (1915)

In Wenen daar vind je tien meisjes,
een schouder waarop de dood uithuilt
en een woud vol verschrompelde duiven.
Er ligt een scherf, een schilfertje morgen
in het museum van vorst en ijzel.
Er is een zaal met duizend ramen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals met je lippen verzegeld.

Deze wals, deze wals, deze wals
van ja, van dood en van cognac
die zijn staart onderdompelt in zee.

Ik wil je, ik wil je, ik wil je
met de luie stoel en het dode boek,
door het melancholieke portaal,
op de donkere leliënzolder,
in ’t bed waarin de maan ons spiegelt
en in de dansdromerij van de schildpad.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals waar je middel van knakt.

In Wenen daar vind je vier spiegels
waar je mond en de echo’s in spelen.
Er is daar een dood voor piano
die de jongens met blauwe verf inkleurt.
Er zijn bedelaars op de daken.
Er zijn verse bloemslingers van tranen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals die bezwijkt in mijn armen.

Want ik wil je, ik wil je, mijn liefste
op de zolder waar de kinderen spelen,
in dromen vol oud Hongaars lamplicht
door het rumoer van de lauwwarme avond,
in beelden van schapen en lelies van sneeuw
over je voorhoofds donkere stilte.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals van ik-wil-je-altijd.

In Wenen zal ik met je dansen
met een masker op waar
een rivier in ontspringt.
Kijk, ik heb oevers aan vol hyacinten!
Mijn mond laat ik achter tussen je benen,
mijn ziel in foto’s en witte lelies,
en ’t donkere kielzog van jouw passen
daaraan, mijn liefste, mijn liefste, vermaak ik
viool en tombe, de linten der wals.

Federico García Lorca (1898-1936) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Nominatie Nederland Vertaalt 2017.
Alle genomineerde vertalingen S-N: klik.
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

PEQUEÑO VALS VIENES

En Viena hay diez muchachas,
un hombro donde solloza la muerte
y un bosque de palomas disecadas.
Hay un fragmento de la mañana
en el museo de la escarcha.
Hay un salón con mil ventanas.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals con la boca cerrada.

Este vals, este vals, este vals,
de sí, de muerte y de coñac
que moja su cola en el mar.

Te quiero, te quiero, te quiero,
con la butaca y el libro muerto,
por el melancólico pasillo,
en el oscuro desván del lirio,
en nuestra cama de la luna
y en la danza que sueña la tortuga.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals de quebrada cintura.

En Viena hay cuatro espejos
donde juegan tu boca y los ecos.
Hay una muerte para piano
que pinta de azul a los muchachos.
Hay mendigos por los tejados.
Hay frescas guirnaldas de llanto.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals que se muere en mis brazos.

Porque te quiero, te quiero, amor mío,
en el desván donde juegan los niños,
soñando viejas luces de Hungría
por los rumores de la tarde tibia,
viendo ovejas y lirios de nieve
por el silencio oscuro de tu frente.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals del ‘Te quiero siempre’.

En Viena bailaré contigo
con un disfraz que tenga
cabeza de río.
¡Mira qué orillas tengo de jacintos !
Dejaré mi boca entre tus piernas,
mi alma en fotografías y azucenas,
y en las ondas oscuras de tu andar
quiero, amor mío, amor mío, dejar,
violín y sepulcro, las cintas del vals.

De Knoertendoder

Knoertendoder
De Knoertendoder schaamt zich dood.
Zijn konen kleuren purperrood
want hij heeft heel wat uit te leggen.
Hij durft het bijna niet te zeggen:
zijn levenswerk bleef onvolvoerd,
nog nimmer doodde hij een Knoert.

Zijn opa heeft hem indertijd
niet onsuccesvol opgeleid
met knots en slinger, bijl en blijde.
Helaas was bij diens overlijden
één kwestie nog onaangeroerd:
waaraan herkennen wij een Knoert?

Hij heeft een Gippel gif gevoerd,
een Polk geplet, een Murk gemoerd;
zelfs kraakte hij diverse Krangen –
het werd met hoongelach ontvangen.
Zo heeft hij jaren aangeklooid
en Knoerten doden deed hij nooit.

Net toen hij dacht: ’t zit me tot hier!
ontmoette hij een wijfjesdier
wier zoete zang hem zo ontroerde
dat hij haar vloerde en ontvoerde.
De bruid bleek Stoere Doerian,
de laatste Knoert van Knoertistan.

Nu strijdt zijn liefde met zijn trots:
nog steeds ligt onder ’t bed die knots…
In weerzinwekkend woeste dromen
weet hij zich soms niet in te tomen
en kleuren lakens purperrood.
‘De schat!’ zingt zij. ‘Hij schaamt zich dood.’

© Judy Elfferich

Do not go gentle…

.

Ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Dylan Thomas heb ik een poging gedaan om zijn beroemdste gedicht te vertalen.

.
GA NIET DIE GOEDE NACHT IN ZONDER STRIJD

Ga niet die goede nacht in zonder strijd,
luid hem met vuurwerk uit, de oude dag;
raas, raas wanneer het laatste licht verglijdt.

Wie wijs werd en beseft: zwart wint altijd,
mijn woord verwekt geen flits of donderslag,
gaat niet die goede nacht in zonder strijd.

Wie goed doet en met hoop zijn pad plaveit
maar broze daden niet meer dansen mag,
raast, raast wanneer het laatste licht verglijdt.

Wie wild de zon ving, zingend haar berijdt
en laat pas ziet: haar hindert mijn gedrag,
gaat niet die goede nacht in zonder strijd.

Wie, ernstig eraan toe, het licht al kwijt,
verblind wordt door een oog met sterrenlach,
raast, raast wanneer het laatste licht verglijdt.

En jij, mijn vader, bijna uit de tijd,
vloek, zegen mij met tranen, luid beklag.
Ga niet die goede nacht in zonder strijd.
Raas, raas wanneer het laatste licht verglijdt.

Dylan Thomas (1914 – 1953) | © vertaling: Judy Elfferich

.
Do not go gentle into that good night
Over de versvorm villanelle

Twee koningskinderen
(maar dan andersom)

.
Een bekend middeleeuws lied begint zo:

Het waren twee conincskinderen

Van de Griekse oudheid tot nu zijn er nog veel meer gedichten en liederen geschreven over deze twee gelieven. Soms heten ze Hero en Leander, meestal hebben ze geen naam. Maar altijd zijn ze on­bereik­baar voor elkaar doordat er water tussen zit.

Dat heb ik omgedraaid: de konings­kinderen zijn hier zee­meer­mensen, ze wonen in het water en worden gescheiden door een berg.

Twee koningskinderen, illustratie © Yella Roth

TWEE KONINGSKINDEREN

Er waren twee koningskinderen
die misten elkaar zo erg:
ze konden niet samen zwemmen
want tussen hen stond een berg.

Waar blies zij op? Een kinkhoorn,
een zeeschelp zoet van toon,
om hem de weg te wijzen,
die jonge koningszoon.

De berg van zand en stenen
was hard en steil en droog.
Daar liep hij op zijn handen
de lange weg omhoog.

Zo klom hij naar de top toe;
daar was het smorend heet
met dikke zwarte rook die
hem in de ogen beet.

En zij, de koningsdochter
met lokken lang en blond,
zij zette vol verlangen
de kinkhoorn aan haar mond.

Maar ai! een vinnig viswijf,
jaloers op haar geluk,
dook op vanuit de diepte
en sloeg de kinkhoorn stuk…

Lees verder

© Judy Elfferich

Deze herdichting staat in BoekieBoekie 95: ‘Koningskinderen’.
Oorspronkelijke versie: klik.