Voorzichtig!

Cypriotisch flesje van terracotta, opgegraven in Egypte - Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, CC by-nc-sa - animatie: JudyElf

Een flesje vol donker
stond in onze kelder,
het wiebelde soms.

We stampten de trap af,
toen is het gebroken.

Het donker liep onder
de deur door de gang in,
de trap op. Het huis sliep
een gat in de dag.

Moe werden we wakker,
we kregen de kriebels.

We dweilden en schrobden
de kamers weer licht,
we borgen het donker
weg onder een deksel.

Nu staat al een poosje
hierboven op zolder
een barstensvol doosje.

Is het nog goed dicht?
We sluipen de trap op.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 18, ‘De nacht’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 18, ‘De nacht’.

 

 

Zeepaardje

zeepaardje - uit: ‘Insecta et animalia coloribus ad vivum picta, anno 1656 et sequentibus: opus magnificentissimum et unicum, nobilissimus dominus Henricus d’Acquet, civitatis Delfensis senator ac consul, ad exemplaria naturalia summo studio ultra quinguaginta annos ex universis terrarum oris quaesita et in sua collectione conservate pingere curavit’, Delft 1708. UB Leiden, RF-281, fol. 23; CC by (bewerkt door JudyElf)

Toen ik nog een zeepaardje was,
in mijn vorige leven,
hing ik, super in m’n sas,
onder water te zweven.
In de dromende zeeën
wiegde weldadig het haar
van de fraaiste der zeemerrie-feeën,
en zij was mijn liefje daar.
We deinden, elkaar weerspiegelend,
dansten, balansten om elkaar heen
zonder arm, zonder hand, zonder been,
zoals wolken in wolken wiegelen.
Soms riep ze: ‘Kom, spelen we krijgertje!’
en zwom koket weg in galop;
zo heeft ze me onder een steigertje
ooit es eitjes toegestopt.
Ze deed verrukt, leek een bleke pierrot,
hapte naar een watervlo
en krulde zich gauw
vast aan een stengel en zei toen: Hallo,
ik hou van jou!
Jij die geen vijg poept, die niet briest,
jij die je saai in maliën kleedt,
met je gezicht zo oud en triest
alsof je weet van komend leed.
Zeejuffer! Wierlantijn! Krinkelnat!
Wanneer was dat?
En wie zal later treuren als ik niks ben dan knoken?
Ik voel iets zilts in mijn ogen schrijnen –
Lollo heeft het verdroogde, kleine
van pijn verkromde zeepaard gebroken.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2020, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen D-N: klik.
IJ-blues, mijn inzending voor de extra mini-vertaalwedstrijd (F-N), werd bekroond: klik.
.

De oorspronkelijke tekst:
.

SEEPFERDCHEN

Als ich noch ein Seepferdchen war,
Im vorigen Leben,
Wie war das wonnig, wunderbar
Unter Wasser zu schweben.
In den träumenden Fluten
Wogte, wie Güte, das Haar
Der zierlichsten aller Seestuten,
Die meine Geliebte war.
Wir senkten uns still oder stiegen,
Tanzten harmonisch umeinand,
Ohne Arm, ohne Bein, ohne Hand,
Wie Wolken sich in Wolken wiegen.
Sie spielte manchmal graziöses Entfliehn,
Auf daß ich ihr folge, sie hasche,
Und legte mir einmal im Ansichziehn
Eierchen in die Tasche.
Sie blickte traurig und stellte sich froh,
Schnappte nach einem Wasserfloh,
Und ringelte sich
An einem Stengelchen fest und sprach so:
Ich liebe dich!
Du wieherst nicht, du äpfelst nicht,
Du trägst ein farbloses Panzerkleid
Und hast ein bekümmertes altes Gesicht,
Als wüßtest du um kommendes Leid.
Seestütchen! Schnörkelchen! Ringelnaß!
Wann war wohl das?
Und wer bedauert wohl später meine restlichen Knochen?
Es ist beinahe so, daß ich weine –
Lollo hat das vertrocknete, kleine
Schmerzverkrümmte Seepferd zerbrochen.

De engelen hebben alles

Hugo Simberg, The wounded angel

De engelen hebben alles
Ze zweven in een oceaan van tijd
Niemand die ze missen
Niks waarin ze zich vergissen
Ja, de engelen hebben alles
maar geen tranen
en geen spijt

Mijn gemoed schiet soms vol
Mijn gevoel stroomt dan over
Ik hou mijn tranen tegen met een dijk
en nog een dijk
Maar tussen de waker en de slaper
ligt het braakland van de spijt
Nalatigheid

Je probeert overdag
aan iets anders te denken
maar ’s nachts gaan je gedachten weer hun gang
en ben je bang
En daar, tussen waken en slapen
legt een engel dan haar wang
tegen je wang

De engelen hebben alles
Ze zweven in een oceaan van tijd
Niemand die ze missen
Niks waarin ze zich vergissen
Ja, de engelen hebben alles
maar geen tranen
en geen spijt

O, ze zouden zo graag
onze tranen begrijpen
Ze zijn jaloers op hartstocht en verdriet
op zielsverdriet
Wij kunnen de engelen niet troosten
want een troost voor jaloezie
die is er niet

© Judy Elfferich

Spinoza & de regen

het Spinoza-monument aan de Amstel, in de regen - foto: © Philip Edmond van Waesberge
    foto: © Philip Edmond van Waesberge

Regen regent zonder reden,
zonder doel en zonder zin.
Over bossen, over steden,
over land en over zee.

Denkt niet: kom ik wel gelegen?
Valt gewoon maar naar beneden.

Niet doordat een hemelgieter
ons begiet van hogerhand.
Niet doordat een hemelspons
boven ons wordt uitgeknepen.

Regen regent niet om ons,
regen geeft niet om gebeden,
niet om planten, niet om vee.

Regen is niet voor of tegen,
is geen straf en is geen zegen,
is niet goed en is niet slecht.

Dat is wat Spinoza zegt.
Kijk, daar staat hij in de regen
aan het water, beeld van brons.

© Judy Elfferich

.
Venster 22 van de nieuwe canon: Spinoza

.
DICHTER. 17, ‘De nieuwe canon’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 17, ‘De nieuwe canon’.

 

 

Interview

buikspreken

Wat wou jij vroeger later worden?

Nou, niks, want ik was al wat, dacht ik.
Nog lang niet de beste van het land
maar wel de beste van de straat,
dat leek dus een kwestie van tijd.

Ik oefende heel serieus,
perste woorden door mijn neus,
kauwde klapkauwgom om mijn kaken
en lippen leniger te maken.

En trad je al op voor publiek?

Elke zondagmorgen bracht ik
mijn ouders op bed hun ontbijt;
met teddyberen en een pruik
sprak ik aan ’t voeteneind dan buik.

Het enige wat nog ontbrak volgens mij
was een pop met zo’n mechaniek,
zo’n mond dat je zag wat hij zei.

Bedoel je zo eentje…?

Ja, zo eentje als jij.

© Judy Elfferich

IJ-blues

hand in hand - foto: Stuart Crawford @ Flickr, CC by-nc-nd

Op de bodem van ’t IJ ligt een bootje dat zonk,
en roestige wapens en geld en juwelen.
Op de bodem van ’t IJ ligt een mens die verdronk,
op de bodem van ’t IJ ligt leed van zovelen.

Op de bodem van ’t IJ voeden derrie en drab
een daar in de diepte gedijend gewas.
Naar de bodem van ’t IJ voert de uiterste stap
van mensen wier levenspijn nimmer genas.

Langs stenen in ’t slik glippen grauwe beesten,
uit een rioolpijp welt smurrie en gif.
Een ring, toen het uitging wild weggesmeten,
een afgerukt been uit de schroef van een schip.

En een naamloos kind, uit de schoot verstoten;
onwelkom, verwenst, moest het maar weg.
Wat Amsterdam uitkotst in zijn goten,
op de bodem van ’t IJ komt het terecht.

O barmhartig IJ, jij legt lijken te slapen
in een bedje met lakens geweven van slijk.
Vullisrivier zonder boei of haven,
jij wiegt ons van veerpont tot dodenrijk.

Ontvang de schooiers, ontvang de meiden,
ontvang de zuiplap, ontvang de gek;
laat al hun gesnik met je slaapliedje deinen,
en breng dan hun ziel tot rust in je drek.

Op de bodem van ’t IJ ligt een bootje dat zonk,
en roestige wapens en geld en juwelen.
Op de bodem van ’t IJ ligt een mens die verdronk,
op de bodem van ’t IJ ligt leed van zovelen.

Maurice Magre (1877-1941) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Bekroning mini-vertaalwedstrijd Nederland Vertaalt 2020.
☆  Dit is een verbeterde versie (regel 5 + 7 aangepast).
Ook bekroond: de vertaling van Oda Visser en die van Harriet Westrate.

.

De oorspronkelijke tekst:
.

COMPLAINTE DE LA SEINE
(in 1934 op muziek gezet door Kurt Weill)

Au fond de la Seine, il y a de l’or,
Des bateaux rouillés, des bijoux, des armes…
Au fond de la Seine, il y a des morts…
Au fond de la Seine, il y a des larmes…

Au fond de la Seine, il y a des fleurs
De vase et de boue, elles sont nourries…
Au fond de la Seine, il y a des cœurs
Qui souffrirent trop pour vivre la vie.

Et puis les cailloux et des bêtes grises…
L’âme des égouts soufflant des poisons…
Les anneaux jetés par des incomprises,
Des pieds qu’une hélice a coupés du tronc…

Et les fruits maudits des ventres stériles,
Les blancs avortés que nul n’aima,
Les vomissements de la grande ville,
Au fond de la Seine il y a cela.

Ô Seine clémente où vont des cadavres
Au lit dont les draps sont faits de limon.
Fleuve des déchets, sans fanal ni havre,
Chanteuse berçant la morgue et les ponts.

Accueill’ le pauvre, accueill’ la femme,
Accueill’ l’ivrogne, accueill’ le fou,
Mêle leurs sanglots au bruit de tes lames
Et porte leurs cœurs parmi les cailloux.

Au fond de la Seine, il y a de l’or,
Des bateaux rouillés, des bijoux, des armes…
Au fond de la Seine, il y a des morts…
Au fond de la Seine, il y a des larmes…

Einde van de wereld

aangewaaide hoeden bij spoorweg

Van ’t brave-burger-punthoofd vliegt de hoed,
door alle luchten echoot ach en wee,
dakdekkers storten neer, finaal in twee,
en aan de kusten – leest men – stijgt de vloed.

Daar is de storm al, en de oerzee huppelt
aan land om dikke dijken plat te drukken.
Uit mensenneuzen komt veel snot gedruppeld.
De treinen vallen van de viaducten.

Jakob van Hoddis (1887-1942) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: Weltende
Over Jakob van Hoddis (Engels)
Over het expressionisme in de poëzie

De Dooievaar

kiekeboe

Een witte veer waait op de wind,
Een zwarte veer drijft in de sloot.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een Hagenaar.
Die zei: ‘Hè, is ie weg? Wat raar.’
We vroegen ’t een Egyptenaar.
Die zei: ‘Ik zag hem vorig jaar.’

We vroegen het een steunpilaar.
Die zei: ‘Het nest voelt minder zwaar.’
We vroegen het een makelaar.
Die zei: ‘Piekfijn en instapklaar.’

We vroegen het een weduwnaar.
Die zei: ‘Hij is nu vast bij haar.’
We vroegen het een moordenaar.
Die zei: ‘Zijn botjes liggen daar.’

We vroegen het een lepelaar.
Die zei: ‘Hij smaakte nergens naar.’
We vroegen het een leugenaar.
Die zei: ‘Daar is geen woord van waar.’

Soms zien we ergens even
een schaduw overzweven.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een vogelaar.
Die zei: ‘Hou nou je snavel maar.’

© Judy Elfferich

Even wat anders

robots

‘Zullen we dan maar?’
zeiden de robots tegen elkaar.

Grasmaairobot, stofzuigrobot,
slimme ijskast, zelfkloppende mat,
vloerdweilrobot, schoenpoetsrobot,
zelfuitlatende hond en mechanische kat,
ze hadden het helemaal gehad.

Zelfrijdende auto nam ze mee
naar een bungalow aan zee.

En daar in dat vakantiehuis
deden ze alles net als thuis:
grasmaaien, kloppen, koelen,
dweilen, kwispelen, kroelen.

Tevreden zijn ze teruggereden
na drie weken verlof.

Nu zuigen ze gewoon weer stof
en poetsen ze weer schoen,
dat is wat robots doen.

Af en toe zeggen ze tegen elkaar:
‘Het was anders hè, daar.
Meer zout, meer zand, meer vogelschijt,
dat heb je in vakantietijd.’

© Judy Elfferich

Midzomernacht

Jāņi, midzomerfeest in Letland

Vannacht gaat niemand slapen,
geen kind hoeft er naar bed.
Tot morgen blijft het licht,
de dag is uitgerekt.

De planten en de dieren
zijn door de zon gewekt:
we gaan midzomer vieren!

Bij Riga aan het strand
wordt hout hoog opgestapeld.
Straks gaat dat in de brand,
een machtig mooi gezicht.

Geen zorg om zware dingen,
zolang we samen zingen
krijgt duisternis geen kans.

We lachen opgelucht,
we zwaaien en we zwieren
met wapperende haren
nu donker is gevlucht.

Voor wie erin gelooft
bloeit zelfs de wilde varen
in deze ene nacht.

Hup, allemaal naar buiten.
Met bloemen en met kruiden,
met groene eikenblaren
gaan wij de boel versieren.

Wie vlecht de fraaiste krans?
Kom, zet hem op je hoofd
en doe een rondedans.

Hoog ligt het hout gestapeld
bij Riga op het strand.
Steek aan die vreugdevuren
om overheen te springen!

Naar zulke avonturen
heeft iedereen verlangd
in saaie winteruren.

© Judy Elfferich

.
Over Jāņi, het midzomerfeest in Letland (Engels)
Over de mythische varenbloem (Engels)