Nachtgeluiden na verhuizing

uiltje Jeroen Bosch - animatie: JudyElf

Roekoe werd hinnik
Kwaak werd andere kwaak
Treinzoef werd trekkerdreun
Windgongplingel werd notendakplok
Krantklepklapper werd kukeleku
Kef werd blaf

Maar snurk is snurk gebleven

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 18, ‘De nacht’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 18, ‘De nacht’.

 

 

Marita Parkita van Parlevink

ringen

Marita Parkita van Parlevink
draagt zeven ringen aan haar pink:
een zilveren, een gouwen,
een groene en een blauwe,
een paarse en een rooie
en één ontzettend mooie
met een echte diamant.

En wie haar al die ringen gaf?
Een zekere Dirk-Jan Donderpad,
die haar al lang bewonderd had.
Marita heeft hem nooit gezien
maar maandagavond om half tien
stond hij (een diepe bariton)
weer zingend onder haar balkon.

Het raam bleef dicht; hij zuchtte zacht,
die arme Dirk-Jan Donderpad.
Hij huilde in de regenton
en daarna droop hij af.
En kijk es, dinsdagmorgen hing
in een van de seringen
een ring met roze steen.

Marita Parkita van Parlevink
die schoof hem aan haar kleine teen
en zei: ‘Zo, dat is acht.’

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 19, ‘De liefde’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 19, ‘De liefde’.

 

 

Armando en de ladder

Armando, de Ladder - foto: Tjerk Broersma @ Wikimedia Commons, CC by-sa

Zij zaten daar gevangen.
Gevaar, altijd gevaar.
Ze droomden van een ladder.

Hij was nog klein en woonde daar toevallig.
Hij zag en hoorde ze, vlakbij, achter de hekken.

Het was oorlog, het was spannend
maar het was geen spel.
Hij droomde van een ladder.

Hij groeide op.
Hij kon het niet vergeten.
Hij maakte een ladder
zo hoog als hij kon.

Een ladder naar vroeger, naar buiten.
Een ladder naar de hemel en weer terug.

© Judy Elfferich

Clown

paarden, prehistorische kunst in de grot van Chauvet

Mijn haar vat vlam.
Ik zing wat ik kan
maar daar slaat het al over,
theater!
op paardengevaarten
met laaiende staarten,
sproeihoeven,
hordendans.

Het zoemt om mijn hoofd,
het schroeit en het knettert.
Ik klim door een hoepel
en zak in een ton.

Ik neurie en klauter
eruit, vind mijn neus,
maak een buiging,
val om.

Ik zing wat ik kan
maar ik ben kleddernat
en de waardige paarden,
dus buig ik maar weer,
vermijden voorzichtig mijn rug.

Ze draven, het spettert van vonken,
in het donker terug.

© Judy Elfferich

Aan Nehalennia

Nehalennia-altaar - Rijksmuseum van Oudheden, Leiden; CC by (bewerkt door JudyElf)

Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
we brengen je brood en we brengen je fruit
voor we uitvaren, op naar Britannia.

Stoere schippers zijn wij op de Schelde, de Rijn,
maar de wijde Noordzee maakt ons nietig en klein.
Daar zijn we geen helden, o nee!

We varen met vissaus, we varen met zout
dus we vrezen de wraak van de zee.
We varen met wijn en met potten van klei
dus het land gaat altijd met ons mee.

We leggen ons lot in jouw handen,
zorg jij dat de kustvuren branden.
We ontsteken flambouwen en zingen een lied.
Ooit gaan we ten onder, maar dit keer nog niet.

Gegroet Nehalennia, wij gaan aan boord.
Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
breng ons veilig hier terug aan de kade,
met schatten beladen, door niemand beroofd.

Je hond doet een hap naar de maan,
draait zich om, kijkt ons kwispelend aan.
Wil dat zeggen: akkoord?

Dan komt hier als dank straks een altaar te staan
met daarop, in ons beste Latijn:
Voor Nehalennia, beloofd is beloofd.

© Judy Elfferich

Over de godin Nehalennia

Voorzichtig!

Cypriotisch flesje van terracotta, opgegraven in Egypte - Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, CC by-nc-sa - animatie: JudyElf

Een flesje vol donker
stond in onze kelder,
het wiebelde soms.

We stampten de trap af,
toen is het gebroken.

Het donker liep onder
de deur door de gang in,
de trap op. Het huis sliep
een gat in de dag.

Moe werden we wakker,
we kregen de kriebels.

We dweilden en schrobden
de kamers weer licht,
we borgen het donker
weg onder een deksel.

Nu staat al een poosje
hierboven op zolder
een barstensvol doosje.

Is het nog goed dicht?
We sluipen de trap op.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 18, ‘De nacht’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 18, ‘De nacht’.

 

 

Zeepaardje

zeepaardje - uit: ‘Insecta et animalia coloribus ad vivum picta, anno 1656 et sequentibus: opus magnificentissimum et unicum, nobilissimus dominus Henricus d’Acquet, civitatis Delfensis senator ac consul, ad exemplaria naturalia summo studio ultra quinguaginta annos ex universis terrarum oris quaesita et in sua collectione conservate pingere curavit’, Delft 1708. UB Leiden, RF-281, fol. 23; CC by (bewerkt door JudyElf)

Toen ik nog een zeepaardje was,
in mijn vorige leven,
hing ik, super in m’n sas,
onder water te zweven.
In de dromende zeeën
wiegde weldadig het haar
van de fraaiste der zeemerrie-feeën,
en zij was mijn liefje daar.
We deinden, elkaar weerspiegelend,
dansten, balansten om elkaar heen
zonder arm, zonder hand, zonder been,
zoals wolken in wolken wiegelen.
Soms riep ze: ‘Kom, spelen we krijgertje!’
en zwom koket weg in galop;
zo heeft ze me onder een steigertje
ooit es eitjes toegestopt.
Ze deed verrukt, leek een bleke pierrot,
hapte naar een watervlo
en krulde zich gauw
vast aan een stengel en zei toen: Hallo,
ik hou van jou!
Jij die geen vijg poept, die niet briest,
jij die je saai in maliën kleedt,
met je gezicht zo oud en triest
alsof je weet van komend leed.
Zeejuffer! Wierlantijn! Krinkelnat!
Wanneer was dat?
En wie zal later treuren als ik niks ben dan knoken?
Ik voel iets zilts in mijn ogen schrijnen –
Lollo heeft het verdroogde, kleine
van pijn verkromde zeepaard gebroken.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2020, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen D-N: klik.
IJ-blues, mijn inzending voor de extra mini-vertaalwedstrijd (F-N), werd bekroond: klik.
.

De oorspronkelijke tekst:
.

SEEPFERDCHEN

Als ich noch ein Seepferdchen war,
Im vorigen Leben,
Wie war das wonnig, wunderbar
Unter Wasser zu schweben.
In den träumenden Fluten
Wogte, wie Güte, das Haar
Der zierlichsten aller Seestuten,
Die meine Geliebte war.
Wir senkten uns still oder stiegen,
Tanzten harmonisch umeinand,
Ohne Arm, ohne Bein, ohne Hand,
Wie Wolken sich in Wolken wiegen.
Sie spielte manchmal graziöses Entfliehn,
Auf daß ich ihr folge, sie hasche,
Und legte mir einmal im Ansichziehn
Eierchen in die Tasche.
Sie blickte traurig und stellte sich froh,
Schnappte nach einem Wasserfloh,
Und ringelte sich
An einem Stengelchen fest und sprach so:
Ich liebe dich!
Du wieherst nicht, du äpfelst nicht,
Du trägst ein farbloses Panzerkleid
Und hast ein bekümmertes altes Gesicht,
Als wüßtest du um kommendes Leid.
Seestütchen! Schnörkelchen! Ringelnaß!
Wann war wohl das?
Und wer bedauert wohl später meine restlichen Knochen?
Es ist beinahe so, daß ich weine –
Lollo hat das vertrocknete, kleine
Schmerzverkrümmte Seepferd zerbrochen.

De engelen hebben alles

Hugo Simberg, The wounded angel

De engelen hebben alles
Ze zweven in een oceaan van tijd
Niemand die ze missen
Niks waarin ze zich vergissen
Ja, de engelen hebben alles
maar geen tranen
en geen spijt

Mijn gemoed schiet soms vol
Mijn gevoel stroomt dan over
Ik hou mijn tranen tegen met een dijk
en nog een dijk
Maar tussen de waker en de slaper
ligt het braakland van de spijt
Nalatigheid

Je probeert overdag
aan iets anders te denken
maar ’s nachts gaan je gedachten weer hun gang
en ben je bang
En daar, tussen waken en slapen
legt een engel dan haar wang
tegen je wang

De engelen hebben alles
Ze zweven in een oceaan van tijd
Niemand die ze missen
Niks waarin ze zich vergissen
Ja, de engelen hebben alles
maar geen tranen
en geen spijt

O, ze zouden zo graag
onze tranen begrijpen
Ze zijn jaloers op hartstocht en verdriet
op zielsverdriet
Wij kunnen de engelen niet troosten
want een troost voor jaloezie
die is er niet

© Judy Elfferich

Spinoza & de regen

het Spinoza-monument aan de Amstel, in de regen - foto: © Philip Edmond van Waesberge
    foto: © Philip Edmond van Waesberge

Regen regent zonder reden,
zonder doel en zonder zin.
Over bossen, over steden,
over land en over zee.

Denkt niet: kom ik wel gelegen?
Valt gewoon maar naar beneden.

Niet doordat een hemelgieter
ons begiet van hogerhand.
Niet doordat een hemelspons
boven ons wordt uitgeknepen.

Regen regent niet om ons,
regen geeft niet om gebeden,
niet om planten, niet om vee.

Regen is niet voor of tegen,
is geen straf en is geen zegen,
is niet goed en is niet slecht.

Dat is wat Spinoza zegt.
Kijk, daar staat hij in de regen
aan het water, beeld van brons.

© Judy Elfferich

.
Venster 22 van de nieuwe canon: Spinoza

.
DICHTER. 17, ‘De nieuwe canon’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 17, ‘De nieuwe canon’.

 

 

Interview

buikspreken

Wat wou jij vroeger later worden?

Nou, niks, want ik was al wat, dacht ik.
Nog lang niet de beste van het land
maar wel de beste van de straat,
dat leek dus een kwestie van tijd.

Ik oefende heel serieus,
perste woorden door mijn neus,
kauwde klapkauwgom om mijn kaken
en lippen leniger te maken.

En trad je al op voor publiek?

Elke zondagmorgen bracht ik
mijn ouders op bed hun ontbijt;
met teddyberen en een pruik
sprak ik aan ’t voeteneind dan buik.

Het enige wat nog ontbrak volgens mij
was een pop met zo’n mechaniek,
zo’n mond dat je zag wat hij zei.

Bedoel je zo eentje…?

Ja, zo eentje als jij.

© Judy Elfferich