Interview

buikspreken

Wat wou jij vroeger later worden?

Nou, niks, want ik was al wat, dacht ik.
Nog lang niet de beste van het land
maar wel de beste van de straat,
dat leek dus een kwestie van tijd.

Ik oefende heel serieus,
perste woorden door mijn neus,
kauwde klapkauwgom om mijn kaken
en lippen leniger te maken.

En trad je al op voor publiek?

Elke zondagmorgen bracht ik
mijn ouders op bed hun ontbijt;
met teddyberen en een pruik
sprak ik aan ’t voeteneind dan buik.

Het enige wat nog ontbrak volgens mij
was een pop met zo’n mechaniek,
zo’n mond dat je zag wat hij zei.

Bedoel je zo eentje…?

Ja, zo eentje als jij.

© Judy Elfferich

IJ-blues

hand in hand - foto: Stuart Crawford @ Flickr, CC by-nc-nd

Op de bodem van ’t IJ ligt een bootje dat zonk,
en roestige wapens en geld en juwelen.
Op de bodem van ’t IJ ligt een mens die verdronk,
op de bodem van ’t IJ ligt leed van zovelen.

Op de bodem van ’t IJ voeden derrie en drab
een daar in de diepte gedijend gewas.
Naar de bodem van ’t IJ voert de uiterste stap
van mensen wier levenspijn nimmer genas.

Langs stenen in ’t slik glippen grauwe beesten,
uit een rioolpijp welt smurrie en gif.
Een ring, toen het uitging wild weggesmeten,
een afgerukt been uit de schroef van een schip.

En een naamloos kind, uit de schoot verstoten;
onwelkom, verwenst, moest het maar weg.
Wat Amsterdam uitkotst in zijn goten,
op de bodem van ’t IJ komt het terecht.

O barmhartig IJ, jij legt lijken te slapen
in een bedje met lakens geweven van slijk.
Vullisrivier zonder boei of haven,
jij wiegt ons van veerpont tot dodenrijk.

Ontvang de schooiers, ontvang de meiden,
ontvang de zuiplap, ontvang de gek;
laat al hun gesnik met je slaapliedje deinen,
en breng dan hun ziel tot rust in je drek.

Op de bodem van ’t IJ ligt een bootje dat zonk,
en roestige wapens en geld en juwelen.
Op de bodem van ’t IJ ligt een mens die verdronk,
op de bodem van ’t IJ ligt leed van zovelen.

Maurice Magre (1877-1941) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Bekroning mini-vertaalwedstrijd Nederland Vertaalt 2020.
☆  Dit is een verbeterde versie (regel 5 + 7 aangepast).
Ook bekroond: de vertaling van Oda Visser en die van Harriet Westrate.

.

De oorspronkelijke tekst:
.

COMPLAINTE DE LA SEINE
(in 1934 op muziek gezet door Kurt Weill)

Au fond de la Seine, il y a de l’or,
Des bateaux rouillés, des bijoux, des armes…
Au fond de la Seine, il y a des morts…
Au fond de la Seine, il y a des larmes…

Au fond de la Seine, il y a des fleurs
De vase et de boue, elles sont nourries…
Au fond de la Seine, il y a des cœurs
Qui souffrirent trop pour vivre la vie.

Et puis les cailloux et des bêtes grises…
L’âme des égouts soufflant des poisons…
Les anneaux jetés par des incomprises,
Des pieds qu’une hélice a coupés du tronc…

Et les fruits maudits des ventres stériles,
Les blancs avortés que nul n’aima,
Les vomissements de la grande ville,
Au fond de la Seine il y a cela.

Ô Seine clémente où vont des cadavres
Au lit dont les draps sont faits de limon.
Fleuve des déchets, sans fanal ni havre,
Chanteuse berçant la morgue et les ponts.

Accueill’ le pauvre, accueill’ la femme,
Accueill’ l’ivrogne, accueill’ le fou,
Mêle leurs sanglots au bruit de tes lames
Et porte leurs cœurs parmi les cailloux.

Au fond de la Seine, il y a de l’or,
Des bateaux rouillés, des bijoux, des armes…
Au fond de la Seine, il y a des morts…
Au fond de la Seine, il y a des larmes…

Einde van de wereld

aangewaaide hoeden bij spoorweg

Van ’t brave-burger-punthoofd vliegt de hoed,
door alle luchten echoot ach en wee,
dakdekkers storten neer, finaal in twee,
en aan de kusten – leest men – stijgt de vloed.

Daar is de storm al, en de oerzee huppelt
aan land om dikke dijken plat te drukken.
Uit mensenneuzen komt veel snot gedruppeld.
De treinen vallen van de viaducten.

Jakob van Hoddis (1887-1942) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: Weltende
Over Jakob van Hoddis (Engels)
Over het expressionisme in de poëzie

De Dooievaar

kiekeboe

Een witte veer waait op de wind,
Een zwarte veer drijft in de sloot.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een Hagenaar.
Die zei: ‘Hè, is ie weg? Wat raar.’
We vroegen ’t een Egyptenaar.
Die zei: ‘Ik zag hem vorig jaar.’

We vroegen het een steunpilaar.
Die zei: ‘Het nest voelt minder zwaar.’
We vroegen het een makelaar.
Die zei: ‘Piekfijn en instapklaar.’

We vroegen het een weduwnaar.
Die zei: ‘Hij is nu vast bij haar.’
We vroegen het een moordenaar.
Die zei: ‘Zijn botjes liggen daar.’

We vroegen het een lepelaar.
Die zei: ‘Hij smaakte nergens naar.’
We vroegen het een leugenaar.
Die zei: ‘Daar is geen woord van waar.’

Soms zien we ergens even
een schaduw overzweven.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een vogelaar.
Die zei: ‘Hou nou je snavel maar.’

© Judy Elfferich

Even wat anders

robots

‘Zullen we dan maar?’
zeiden de robots tegen elkaar.

Grasmaairobot, stofzuigrobot,
slimme ijskast, zelfkloppende mat,
vloerdweilrobot, schoenpoetsrobot,
zelfuitlatende hond en mechanische kat,
ze hadden het helemaal gehad.

Zelfrijdende auto nam ze mee
naar een bungalow aan zee.

En daar in dat vakantiehuis
deden ze alles net als thuis:
grasmaaien, kloppen, koelen,
dweilen, kwispelen, kroelen.

Tevreden zijn ze teruggereden
na drie weken verlof.

Nu zuigen ze gewoon weer stof
en poetsen ze weer schoen,
dat is wat robots doen.

Af en toe zeggen ze tegen elkaar:
‘Het was anders hè, daar.
Meer zout, meer zand, meer vogelschijt,
dat heb je in vakantietijd.’

© Judy Elfferich

Midzomernacht

Jāņi, midzomerfeest in Letland

Vannacht gaat niemand slapen,
geen kind hoeft er naar bed.
Tot morgen blijft het licht,
de dag is uitgerekt.

De planten en de dieren
zijn door de zon gewekt:
we gaan midzomer vieren!

Bij Riga aan het strand
wordt hout hoog opgestapeld.
Straks gaat dat in de brand,
een machtig mooi gezicht.

Geen zorg om zware dingen,
zolang we samen zingen
krijgt duisternis geen kans.

We lachen opgelucht,
we zwaaien en we zwieren
met wapperende haren
nu donker is gevlucht.

Voor wie erin gelooft
bloeit zelfs de wilde varen
in deze ene nacht.

Hup, allemaal naar buiten.
Met bloemen en met kruiden,
met groene eikenblaren
gaan wij de boel versieren.

Wie vlecht de fraaiste krans?
Kom, zet hem op je hoofd
en doe een rondedans.

Hoog ligt het hout gestapeld
bij Riga op het strand.
Steek aan die vreugdevuren
om overheen te springen!

Naar zulke avonturen
heeft iedereen verlangd
in saaie winteruren.

© Judy Elfferich

.
Over Jāņi, het midzomerfeest in Letland (Engels)
Over de mythische varenbloem (Engels)

Dertien duiveltjes

Duiveltjes - animatie: JudyElf, CC by-nc-sa

’s Avonds als ik slapen ga
sluipen mij dertien duiveltjes na:
twee die me vangen,
twee die me stangen,
twee die me testen,
twee die me pesten,
twee die me grijpen,
twee die me knijpen,
twee die me kwellen
omdat ik niet kan tellen.

© Judy Elfferich

Weet je nog?

hand in hand - foto: Mark Bonica @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

‘Weet je nog, dochter?’ vroeg hij
en de zon brak door op zijn gezicht.

Ik jokte natuurlijk van ja,
ik speelde het spelletje mee.

Hij knikte en gaf me een zoen
al kon ik niks weten van toen, van zo klein.

De scène die hij voor zich zag:
wij twee voor het eerst aan de wandel,
misschien wel op een pinksterdag,
hand in hand door de Bergselaan.

Zielsblij was hij, verguld met mij,
heel de wereld ging open.
Daar hoefde ik niks voor te doen
behalve bestaan en proberen te lopen.

Er blijkt een foto van te zijn.
In zwart-wit lentelicht kijkt hij,
al jaren dood, me stralend aan.

Ja pappa ja,
ik weet het nog.

© Judy Elfferich

Caladrius

Caladrius in dertiende-eeuws bestarium, Bibliothèque nationale de France, Latin 14429 (bewerkt door JudyElf)

Lig je in je zwartste nacht,
radeloos en uitgeblust,
buiten menselijk bereik,
komt die vogel aangevlogen.

Hij vliegt door muur en raam,
hij landt bij wie daar wacht,
hij schudt zijn witte veren.
Je zoekt hem met je ogen.

Wie zal genezen kijkt hij aan.
Wendt hij zich af, dan moet je gaan.
De ziekste zieken geeft hij rust,
Caladrius.

© Judy Elfferich

.
Over de mythische vogel Caladrius

.
DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’.

 

 

De veer

.
Een veertje zweefde over land;
een nijlpaard soesde in het zand.

De veer zei: ‘Als ik die eens wek?’
Ze hield graag anderen voor de gek.

Ze liet zich op het nijlpaard neer
en kietelde zijn dikke leer.

Het nijlpaard opende zijn tater
en barstte uit in luid geschater.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich

.

Kleianimatie: Cornelia Anders.

.
Het oorspronkelijke gedicht: Die Feder
Over Joachim Ringelnatz