Kletsnat sprookje

William Blake, Feeëndans (fragment)

De eerste die was fee,
zij vierde ’t onderzee.

De tweede, ietsje feeër,
zei: ‘Maar ik onderzeeër.’

De derde was het feest,
die zei: ‘Dus ik het onderzeest.’

En nummer vier? ‘Bah, al dat wier.
Nee, ik denk niet dat ik het vier.’

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 21, ‘Feest!’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 21, ‘Feest!’.

 

 

Aquarium

Ik wou dat ik een zoenvis was
en met jou samen achter glas
de oeverloze eeuwigheid
kon wijden aan een zoenwedstrijd.

Soms liet ik je winnen door weg te glippen,
dan zweefden we weer mond aan mond
met vinnige vinnen en happige lippen
doorschijnend-rozig rond.

(Dit dacht ik, wachtend bij Pom Lai
op mijn mihoen met foeyonghai)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 19, ‘De liefde’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 19, ‘De liefde’.

 

 

Azkaban

Azkaban

Duister is het daar en kil…
Horrordromen heb ik van
Azkaban.

Wezens zonder levenslust,
zich van zonlicht niet bewust,
zonder hoop en uitgeblust.

Door Dementors zonder ogen
zijn hun zielen opgezogen
in een gruwelijke kus.

Leeggeslurpten zonder wil,
nooit meer veilig, nergens rust.
Je verstand staat erbij stil.

Ik word wakker met een gil –
Laat me nooit meer dromen van
Azkaban!

© Judy Elfferich

.
Over Azkaban

Cultuur

Kintsugi - foto: Guggger @ Wikimedia Commons, CC by-sa (bewerkt door JudyElf)

Wij zijn oeroud.
We rooiden alle bomen,
we bakten alle klei.

Het woeste woud is lang voorbij.
Maar wildernis zit nog in mij.

De goden hebben lang niet meer gesproken.
Die moeten ook weleens een eeuwtje slapen.

Al onze potjes zijn al duizendmaal gebroken.
Steeds nieuwe mensen komen
scherven oprapen, ze lijmen met goud.

© Judy Elfferich

De Dierbaars

Jan Mankes, Jonge baars zwemmend naar rechts

De Dierbaars is mijn lievelingsvis
omdat hij straalt en glanst
en door het water danst,
zich soms even verschanst
maar ’t liefst met anderen samen is.

De Dierbaars is mijn lievelingsvis.
Een vis die gauw tevreden is,
hij houdt van zoet en zout.
Maar toch geen ja-en-amenvis
dankzij zijn stekeligheden.

Nee, zo is er geen tweede
dus ja, geef mij de Dierbaars maar,
die vis, daar hou ik van.
Hij is in vijf minuten gaar
en past in elke pan.

© Judy Elfferich

Nachtgeluiden na verhuizing

uiltje Jeroen Bosch - animatie: JudyElf

Roekoe werd hinnik
Kwaak werd andere kwaak
Treinzoef werd trekkerdreun
Windgongplingel werd notendakplok
Krantklepklapper werd kukeleku
Kef werd blaf

Maar snurk is snurk gebleven

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 18, ‘De nacht’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 18, ‘De nacht’.

 

 

Marita Parkita van Parlevink

ringen

Marita Parkita van Parlevink
draagt zeven ringen aan haar pink:
een zilveren, een gouwen,
een groene en een blauwe,
een paarse en een rooie
en één ontzettend mooie
met een echte diamant.

En wie haar al die ringen gaf?
Een zekere Dirk-Jan Donderpad,
die haar al lang bewonderd had.
Marita heeft hem nooit gezien
maar maandagavond om half tien
stond hij (een diepe bariton)
weer zingend onder haar balkon.

Het raam bleef dicht; hij zuchtte zacht,
die arme Dirk-Jan Donderpad.
Hij huilde in de regenton
en daarna droop hij af.
En kijk es, dinsdagmorgen hing
in een van de seringen
een ring met roze steen.

Marita Parkita van Parlevink
die schoof hem aan haar kleine teen
en zei: ‘Zo, dat is acht.’

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 19, ‘De liefde’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 19, ‘De liefde’.

 

 

Armando en de ladder

Armando, de Ladder - foto: Tjerk Broersma @ Wikimedia Commons, CC by-sa

Zij zaten daar gevangen.
Gevaar, altijd gevaar.
Ze droomden van een ladder.

Hij was nog klein en woonde daar toevallig.
Hij zag en hoorde ze, vlakbij, achter de hekken.

Het was oorlog, het was spannend
maar het was geen spel.
Hij droomde van een ladder.

Hij groeide op.
Hij kon het niet vergeten.
Hij maakte een ladder
zo hoog als hij kon.

Een ladder naar vroeger, naar buiten.
Een ladder naar de hemel en weer terug.

© Judy Elfferich

Clown

paarden, prehistorische kunst in de grot van Chauvet

Mijn haar vat vlam.
Ik zing wat ik kan
maar daar slaat het al over,
theater!
op paardengevaarten
met laaiende staarten,
sproeihoeven,
hordendans.

Het zoemt om mijn hoofd,
het schroeit en het knettert.
Ik klim door een hoepel
en zak in een ton.

Ik neurie en klauter
eruit, vind mijn neus,
maak een buiging,
val om.

Ik zing wat ik kan
maar ik ben kleddernat
en de waardige paarden,
dus buig ik maar weer,
vermijden voorzichtig mijn rug.

Ze draven, het spettert van vonken,
in het donker terug.

© Judy Elfferich

Aan Nehalennia

Nehalennia-altaar - Rijksmuseum van Oudheden, Leiden; CC by (bewerkt door JudyElf)

Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
we brengen je brood en we brengen je fruit
voor we uitvaren, op naar Britannia.

Stoere schippers zijn wij op de Schelde, de Rijn,
maar de wijde Noordzee maakt ons nietig en klein.
Daar zijn we geen helden, o nee!

We varen met vissaus, we varen met zout
dus we vrezen de wraak van de zee.
We varen met wijn en met potten van klei
dus het land gaat altijd met ons mee.

We leggen ons lot in jouw handen,
zorg jij dat de kustvuren branden.
We ontsteken flambouwen en zingen een lied.
Ooit gaan we ten onder, maar dit keer nog niet.

Gegroet Nehalennia, wij gaan aan boord.
Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
breng ons veilig hier terug aan de kade,
met schatten beladen, door niemand beroofd.

Je hond doet een hap naar de maan,
draait zich om, kijkt ons kwispelend aan.
Wil dat zeggen: akkoord?

Dan komt hier als dank straks een altaar te staan
met daarop, in ons beste Latijn:
Voor Nehalennia, beloofd is beloofd.

© Judy Elfferich

.
Over de godin Nehalennia