Gelukskever

scarabee

Onder in mijn kopje thee
vond ik bij het ontbijt
een kever, groen met goud:
een echte scarabee,
Egyptisch en oeroud.

Een soort museumstuk.
Op zijn buik staan allemaal
hiërogliefen, tovertaal
uit Toetankhamons tijd.
Ik dacht: die brengt geluk.

Dus naar school nam ik hem mee
aan een ketting om mijn nek.
Nou hadden we vandaag
toevallig bij geschiedenis
een Knappe Koppen Kwis.

Meteen al bij de eerste vraag
kroop die kever naar mijn oor
en zei het goede antwoord voor.
En zo ging het dus door…
Ik wil hem nooit meer kwijt.

Bij elke toets, bij elk dictee
vertrouw ik op mijn scarabee.
Het is een echte crack.
(En ooit raak ik gewend
aan zijn Egyptische accent.)

© Judy Elfferich

Gerijmel van een ouder iemand

W.H. Auden in de jaren zestig
voor Robert Lederer

Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.

De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.

Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.

De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.

Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.

Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.

’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.

Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.

Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.

Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.

Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.

De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.

Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.

En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.

W.H. Auden (1907-1973) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: Doggerel by a senior citizen
Over W.H. Auden

Onder zeil

zeil tegen blauwe lucht

Het allergrootst geluk
is slapen in een bootje

met boven je geflapper
en getingel in de wind,

met verte in je neus,
daar deinen dromen heen;

geschommeld en gesust
als in eerste schemering

toen je moeders buik je wiegde
als ze danste met je vader

en niemand wist van jou
behalve zij alleen.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 14, ‘Geluk’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 14, ‘Geluk’.

 

 

Liefdesbrieven

matroos

In de kast van Godelieve
staat een oude schoenendoos
vol met handgeschreven brieven
van haar vrijer de matroos.

Elke dag geeft zuster Roos
Godelieve één zo’n brief
bij haar kopje middagthee.
Godelieve leest en bloost:

Zul je aan de kade staan
als ik thuiskom, Godeliefste,
meisje mooier dan de maan?

Liefde houdt mijn hart gevangen,
naar jou voel ik een verlangen
dieper dan de oceaan.

Gaan we dansen, zwemmen, zingen
als ik thuiskom? Ga je mee
kijken naar verlovingsringen?

Blozend, blij leest ze de brief
steeds opnieuw van voor af aan.
Heel haar thee is ze vergeten,
Godelieve, smoorverliefd.

Dat haar vrijer de matroos
bijna vijftig jaar geleden
omgekomen is op zee,
daarvan heeft ze geen idee.

© Judy Elfferich

Na mijn tijd

Grafengel - foto: © Judy Elfferich

Jij die nog leeft, die hier loopt langs de graven,
wind door je haren en zon op je huid,
jij die de jaren nog telt en de dagen,
die kunt genieten van vogelgefluit,
ben je gekomen voor mij?

Toen ik begraven werd, was je daarbij?
Wie heeft gezongen en wie heeft gesproken?
Wie hebben mij op hun schouders gedragen?
Wie heeft er op me geproost?

Wie heeft mijn liefste getroost?
Wie heeft mijn dagboek vernietigd?
Wie zijn er bang dat ik bij ze kom spoken?
Wie is nog altijd verdrietig?
Wie zijn mijn naam al vergeten?

Wie heeft mijn wrakke gitaar weggesmeten?
Wie kreeg mijn boeken en platen?
Wie zorgt er nu voor mijn rozen?
Wie fietst er nu in mijn jas door de stad?

Wie laat mijn hond uit en wie aait mijn kat?
Wie staat soms tegen mijn foto te praten?
Wie bewaart al mijn geheimen?
Wie heeft voor mij deze plek uitgekozen?
Wie ligt hier later ooit bij me?

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht heb ik gemaakt voor ‘Herinnering Verlicht’, de tweejaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Als een van de Witte Dichters* lees ik het daar voor aan bezoekers die op mijn witte-paraplu-met-lichtje afkomen.

Herinnering Verlicht 2019
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Man zonder hond

kwijt, illustratie © Kees de Kort (fragment)
fragment illustratie DICHTER. 13 | © Kees de Kort

Bij de vijver in ’t park zie ik iedere keer
die ene meneer.
Gejaagd loopt hij rond en als ik naar hem kijk
komt hij naar me toe.

Dan aait hij Baloe:
‘Ben jij soms mijn hond? Was ik jou misschien kwijt?’

Vandaag in het bos loopt Baloe lekker los,
daar hoor ik geroep.
Diezelfde meneer: ‘Sammy! Boef! Bella! Beer!’
Baloe kijkt niet op.

‘Waar is het asiel? Ben ik daar al geweest?’
En weg is hij weer.

© Judy Elfferich
.
DICHTER. 13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’

 

Dit gedicht staat in DICHTER.13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’.

 

 

Vikingliedje

Yggdrasil

’s Avonds als ik slapen ga
tel ik de negen werelden na.

Een van de mensen, twee van de goden,
een van de reuzen en een van het vuur,
een van de elfen en een van de mist,
een van de dwergen, een van de doden.

Als het avond wordt en stil,
als het ijzig wordt en kil
denk ik aan de wereldboom
Yggdrasil.

Alles, alles wat er is
groeide uit het grote niks
waar ik in val als ik slaap:
Ginnunga-gaap.

© Judy Elfferich

De inktvis

Inktvis-zelfportret - foto: Arne Hendriks @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

Op sterren mikt hij met zijn inkt,
uit wat hem lief is zuigt hij bloed
dat hij verrukt en gretig drinkt:
ikzelf ben ’t gedrocht dat zo doet.

Guillaume Apollinaire (1880-1918) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

LE POULPE

Jetant son encre vers les cieux,
Suçant le sang de ce qu’il aime
Et le trouvant délicieux,
Ce monstre inhumain, c’est moi-même.