Nachttuinverstoppertje

Arshile Gorki, Nacht, enigma en nostalgie

Jij was de boom met de uil die geruisloos
Ik was de maan
de geduldige maan

Jij was de sterren die eerst een voor een
Ik was de vijver
de peinzende vijver

Jij was de dakgoot vanwaaruit de kat
Ik was de lamp
de kapotte lantaarn

Jij was de glimworm die knipogend rondjes
Ik was de vijver
van spiegelend glas

Jij was de snorrende nachtzwaluw die
Ik was de maan
de onzichtbare maan

Ik was het hazenjong dat niet tot tien
Jij was niet weg dus gezien

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 31, ‘De tuin

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 31, ‘De tuin’.

 

 

Drumstel van Bram

Drumstel van Bram - animatie: JudyElf, CC by-nc-sa
Ik was toen drie. Ik zocht een ding.
Kablam plong pling. Ik had een plan.

Ik wou tingting klaing kloing rombom.
Ik kreeg een fietsbel en een trom.

Pling plong kablam. Ik mocht een pan.
Bof baf pling plong tak tonk boem tsjing.

We vonden deksels in de kast,
een houten lepel en een kwast.

Een tamboerijn, tsjing boem tok tik,
een gieter en een koekjesblik.

De knuffels deden ook hun best.
Het was een machtig drumorkest.

Doekdoek kloing klaing baf bof tamtam.
We stopten toen mijn zusje kwam.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 30, ‘Speelgoed

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 30, ‘Speelgoed’.

 

 

♫ Marita Parkita van Parlevink

.
Dit versje (uit DICHTER. 19, ‘De liefde’) is op muziek gezet door Stéphane Vande Ginste voor Koor&Stem vzw en uitgevoerd op de Koordagen voor kinderen en tieners 2024 in Brugge.

.
MARITA PARKITA VAN PARLEVINK

Marita Parkita van Parlevink
draagt zeven ringen aan haar pink:
een zilveren, een gouwen,
een groene en een blauwe,
een paarse en een rooie
en één ontzettend mooie
met een echte diamant.

En wie haar al die ringen gaf?
Een zekere Dirk-Jan Donderpad,
die haar al lang bewonderd had.
Marita heeft hem nooit gezien
maar maandagavond om half tien
stond hij (een diepe bariton)
weer zingend onder haar balkon.

Het raam bleef dicht; hij zuchtte zacht,
die arme Dirk-Jan Donderpad.
Hij huilde in de regenton
en daarna droop hij af.
En kijk es, dinsdagmorgen hing
in een van de seringen
een ring met roze steen.

Marita Parkita van Parlevink
die schoof hem aan haar kleine teen
en zei: ‘Zo, dat is acht.’

© Judy Elfferich

.
bladmuziek Marita Parikta van Parlevink

 

De bladmuziek voor koor en piano is te bestellen bij Euprint.

 

 

over Stéphane Vande Ginste

We deden dat het oorlog was

Edvard Munch, Troost

Wij waren de arme de zielige kinderen
gerafelde jurken niks aan onze voeten
We hadden geen ouders geen huis en geen brood

We moesten maar stilzitten op onze hurken
samen onder de trap met een pan op ons hoofd
Waren blauw van de kou
We kauwden op zoethout en gras

We mochten niet praten dus moesten we seinen
Er hingen spionnen rond in de gordijnen
Wat waren we bang en wat duurde het lang

En o wee als ze kwamen de wrede soldaten
de moffen de Vikingen en de Romeinen
Kregen die ons te pakken dan zouden we boeten
Ja dan moesten we mee

In de kelder stond water in de gang lagen mijnen
en toen viel jij flauw en toen redde ik jou
Ik voerde je wurmen en kakkerlakken

Voor mij was er helemaal niks meer te eten
dus toen ging ik dood en moest jij me begraven
op het veldje van eer in de tuin naast de kat
Je was diep in de rouw

Wat een ridderlijk lot wat een siddergenot
als we oorlogje speelden wij twee
De echte was jaren en jaren geleden

Misschien dat toen andere eerdere kinderen
om zich niet te vervelen
deden dat het vrede was

© Judy Elfferich

Husselstukje

husselstukje

Nee! Ik ben geen stukje zee.
Zucht… ik ben geen stukje lucht.
En ach, geen wapperende vlag.

Echt, ik ben heel anders blauw.

Ik ben een stukje overal,
een stevig stukje rechtermouw
van iemand in een geitenstal.

1000 stukjes klopte ooit –
maar hier ben ik nu 1001,
daar viel een gat toen ik verdween.

Wie heeft ons door elkaar gegooid?

O, wat is dit hopeloos.
Ik zit in de verkeerde doos.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 30, ‘Speelgoed

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 30, ‘Speelgoed’.

 

 

Een tekening van waar ik woon?

kind met rugzakje

Oké, geef maar een blaadje.
Ik vouw het dubbel, en weer open.

Links teken ik een halve flat
met fietsen op de galerij.
Een zijkamer, een opklapbed,
rugzakje op de kruk ernaast.

Rechts komt een halve boerderij
met tennisbaan en bijgebouw.
Een wei waar paarden lopen,
rugzakje op een paaltje.

En o ja, links vijf cavia’s
en rechts twee hazewinden.

Eh, waar je míj kunt vinden?
Ertussen. Ik woon in de vouw.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 29, ‘Thuis

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 29, ‘Thuis’.

 

 

Huisgenoot

myosotis

Goeienacht!
Ik ben een spook. Aangenaam. Ik woon hier ook.
En langer dan jij.

Sorry, schrik je van mij?
Tja, mijn lach klinkt wat hol en mijn stem klinkt wat bars.
Er zijn er al zoveel van me geschrokken.

Liever was ik al lang geleden vertrokken
maar ik vind maar geen rust, want er zit me iets dwars,
ik heb het geweten maar ben het vergeten:

hoe toch die blauwe bloemetjes heten
die elk jaar bloeien op mijn graf?!
Al eeuwen vraag ik me dat af.

Ik kom er niet op, ik weet het niet!
Grasklokje? Nee, zo heet het niet.
Wacht –

© Judy Elfferich

Hoe smurf je een gedicht?

een gedicht smurfen - illustratie: DALL-E & JudyElf, CC by-nc-sa

Luister met je ogen
Kijk met je neus

Huil met een knipoog
Lach serieus

Duik in het diepe
Klauter op de kant

Mik op de sterren
Val door de mand

Proef met je oren
Tast met je tong

Gooi overhoop
Zonder pardon

Smurf overnieuw
Smurf rigoureus

Vang wat je kan
Zeef wat je zong

© Judy Elfferich

Schollevaar

aalscholver - foto: Jim Whitaker @ Flickr, CC by-nd

Schollevaar, wat sta je daar
op die paal, onafgebroken,
met je vleugels wijd gespreid?

Kom je ons hypnotiseren,
levend standbeeld, kormoraan?
Kom je onheil profeteren,
zwarte engel, dominee?

Hang je aan de lucht genageld
na je laatste avondmaal,
welbekende martelaar?

Regel je het grensverkeer
tussen land en lucht en water,
strenge wachter, douanier?

Gluur je in de dieperik,
totemvogel, vissenschrik?
Heb je scholen toegesproken,
vrachten zilver opgedoken?

Eb wordt vloed en vroeger later;
op de roltong van de zee
telkens weer een nieuw verhaal.

En jij staat daar, staat daar maar,
vogel uit vervlogen tijd,
schollevaar.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 23, ‘De lucht is van de vogels’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 23, ‘De lucht is van de vogels’.

 

 

Vandaag werd ik verrast met deze Franstalige versie:

.
CORMORAN

Cormoran, que fais-tu là,
haut perché et immobile,
tes grandes ailes déployées ?

Tu veux nous hypnotiser,
sans bouger, corbeau pêcheur ?
Tu veux nous porter malheur,
ange noir, prédicateur ?

Tu serais cloué au ciel,
à la croix après la cène,
toi, martyr si renommé ?

Tu surveilles tout va-et-vient
sur la terre, dans l’eau, dans l’air,
douanier, gardien sévère ?

Tu scrutes l’eau en profondeur,
totem noir, oiseau terreur ?
Tu t’adresses aux bancs de truites
pour les avaler ensuite ?

Marée haute suit marée basse ;
le passé devient futur
et la mer roule ses récits.

Toi, tu restes là, perché,
droit et fier, oiseau d’antan,
cormoran.

© vertaling: Jan Robert Braat

Met dank aan Jan Robert Braat (klik) voor zijn toestemming om de vertaling hier te posten.