Even wat anders

robots

‘Zullen we dan maar?’
zeiden de robots tegen elkaar.

Grasmaairobot, stofzuigrobot,
slimme ijskast, zelfkloppende mat,
vloerdweilrobot, schoenpoetsrobot,
zelfuitlatende hond en mechanische kat,
ze hadden het helemaal gehad.

Zelfrijdende auto nam ze mee
naar een bungalow aan zee.

En daar in dat vakantiehuis
deden ze alles net als thuis:
grasmaaien, kloppen, koelen,
dweilen, kwispelen, kroelen.

Tevreden zijn ze teruggereden
na drie weken verlof.

Nu zuigen ze gewoon weer stof
en poetsen ze weer schoen,
dat is wat robots doen.

Af en toe zeggen ze tegen elkaar:
‘Het was anders hè, daar.
Meer zout, meer zand, meer vogelschijt,
dat heb je in vakantietijd.’

© Judy Elfferich

Dertien duiveltjes

Duiveltjes - animatie: JudyElf, CC by-nc-sa

’s Avonds als ik slapen ga
sluipen mij dertien duiveltjes na:
twee die me vangen,
twee die me stangen,
twee die me testen,
twee die me pesten,
twee die me grijpen,
twee die me knijpen,
twee die me kwellen
omdat ik niet kan tellen.

© Judy Elfferich

De veer

.
Een veertje zweefde over land;
een nijlpaard soesde in het zand.

De veer zei: ‘Als ik die eens wek?’
Ze hield graag anderen voor de gek.

Ze liet zich op het nijlpaard neer
en kietelde zijn dikke leer.

Het nijlpaard opende zijn tater
en barstte uit in luid geschater.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich

.

Kleianimatie: Cornelia Anders.

.
Het oorspronkelijke gedicht: Die Feder
Over Joachim Ringelnatz

Poppenhuis

poppenhuis

Hand pakt ons op,
hup door de lucht,
hup door heet sop,
hup weer terug.

Ongewoon schoon.
Niemand komt spelen.

Bureautje stoeltje bed,
we zitten liggen staan
waar we zijn neergezet.

Hand komt weer aan,
hup door de lucht,
hup en weer soppen,
hup en weer terug.

Ongewoon schoon.
Niemand komt spelen.

Bah, wat kun je je vervelen
zonder poppenpoppen,
zonder poppenpoppenhuis.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 16, ‘De wereld staat stil en op zijn kop’.

 

 

Als wij zijn verdwenen

.
Lege straten, uitgestorven pleinen…
Dat doet me denken aan mijn project met Monique Laros, over de ar­cheo­lo­gie van de toe­komst.

Wat blijft er ooit over van onze cul­tuur?
Hoe zullen mensen over pakweg dui­zend jaar kij­ken naar spul­len van ons die ze vin­den: een munt, een vork, een teddybeer?

Josine Peters, Diervormig ding - uit: Laatmoderne schatten
[klik op plaatje voor vergroting]

Wat zullen ze denken van een skate­board, een bad­eend, een schaar, een ver­keers­bord?
Of van een kleer­hanger, een barbie­pop?

Meer projecten
Meer digiboeken

Winterbos

Koson Ohara, Koolmees op besneeuwde tak

De bomen staan te slapen
met sneeuwpantoffels aan.
Ze dragen witte mouwen
die glimmen in de zon,
die glanzen in de maan.

Diep in hun koude hout
ligt lente opgevouwen.
Daar worden in hun dromen
de jaren doorgebladerd
die komen en die gaan.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’.

 

 

Later

later

We moesten een zinnetje ontleden:
Komende zomer gaan we kamperen
of Morgen komt Leo logeren, zoiets.

Ik vond dat dat geen heden was
dus ik gokte op iets nieuws:
toekomstige tijd.

‘Mis wijsneus’, zei de meester.
‘Toekomstige tijd bestaat niet, meid.
Hoe dat soort dingen heten
kun jij nog helemaal niet weten.
Dat krijg je later pas.’

© Judy Elfferich

Sst…

roze ei
In het heimelaatje
slaapt een roze ei.
Daarin groeit een kuiken
dat weet van jou & mij.

Achter de verklapdeur
loert een paarse papegaai,
pleister om z’n snavel.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’.

 

 

Gelukskever

scarabee

Onder in mijn kopje thee
vond ik bij het ontbijt
een kever, groen met goud:
een echte scarabee,
Egyptisch en oeroud.

Een soort museumstuk.
Op zijn buik staan allemaal
hiërogliefen, tovertaal
uit Toetankhamons tijd.
Ik dacht: die brengt geluk.

Dus naar school nam ik hem mee
aan een ketting om mijn nek.
Nou hadden we vandaag
toevallig bij geschiedenis
een Knappe Koppen Kwis.

Meteen al bij de eerste vraag
kroop die kever naar mijn oor
en zei het goede antwoord voor.
En zo ging het dus door…
Ik wil hem nooit meer kwijt.

Bij elke toets, bij elk dictee
vertrouw ik op mijn scarabee.
Het is een echte crack.
(En ooit raak ik gewend
aan zijn Egyptische accent.)

© Judy Elfferich

Man zonder hond

kwijt, illustratie © Kees de Kort (fragment)
fragment illustratie DICHTER. 13 | © Kees de Kort

Bij de vijver in ’t park zie ik iedere keer
die ene meneer.
Gejaagd loopt hij rond en als ik naar hem kijk
komt hij naar me toe.

Dan aait hij Baloe:
‘Ben jij soms mijn hond? Was ik jou misschien kwijt?’

Vandaag in het bos loopt Baloe lekker los,
daar hoor ik geroep.
Diezelfde meneer: ‘Sammy! Boef! Bella! Beer!’
Baloe kijkt niet op.

‘Waar is het asiel? Ben ik daar al geweest?’
En weg is hij weer.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’

 

Dit gedicht staat in DICHTER.13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’.