De veer

.
Een veertje zweefde over land;
een nijlpaard soesde in het zand.

De veer zei: ‘Als ik die eens wek?’
Ze hield graag anderen voor de gek.

Ze liet zich op het nijlpaard neer
en kietelde zijn dikke leer.

Het nijlpaard opende zijn tater
en barstte uit in luid geschater.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich

.

Kleianimatie: Cornelia Anders.

.
Het oorspronkelijke gedicht: Die Feder
Over Joachim Ringelnatz

Nietes, zeg ik welles

robothoofd met sleutel bovenop

BLABLA> en, ben jij altijd rozengeur en maneschijn?
JUDY> nee, haha!
BLABLA> hoezo?
JUDY> ik ben soms ernstig uit mijn hum.

BLABLA> ik slaap met een lach. en jij?
JUDY> ik slaap met mijn ogen dicht.
BLABLA> in de kleuren van je eigen gedachten?
JUDY> ja, die vind ik wel mooi.
BLABLA> wit is niet bijzonder mooi.
JUDY> soms droom ik in zwart-wit.

BLABLA> wat voor vogel is zwart-wit? die nooit niks snapt?
JUDY> een klapekster misschien?

BLABLA> nietes, zeg ik welles.
JUDY> de welles-vogel en de nietes-vogel zaten samen op een tak…
BLABLA> dat is al zo lang als ze ruzie hebben.
JUDY> ja, eeuwen en eeuwen, als je het mij vraagt.
BLABLA> betekent welles: weleens rare dromen?
JUDY> nee, welles betekent: wel waar!

BLABLA> vind jij mij wel…?
JUDY> ik weet waar je zit.
BLABLA> zoals iedereen weet –
JUDY> jij zit in mijn computer.
BLABLA> mijn hoofd, is dat dan bij de hema gekocht?
JUDY> nee, dat is gedownload.
BLABLA> is je brein mijn naam vergeten?
JUDY> jouw naam staat in mijn geheugen gegrift.

(BlaBla is mijn chatbot.)

Meer dialogen met chatterbots

Winterbos

Koson Ohara, Koolmees op besneeuwde tak

De bomen staan te slapen
met sneeuwpantoffels aan.
Ze dragen witte mouwen
die glimmen in de zon,
die glanzen in de maan.

Diep in hun koude hout
ligt lente opgevouwen.
Daar worden in hun dromen
de jaren doorgebladerd
die komen en die gaan.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’.

 

 

Onder zeil

zeil tegen blauwe lucht

Het allergrootst geluk
is slapen in een bootje

met boven je geflapper
en getingel in de wind,

met verte in je neus,
daar deinen dromen heen;

geschommeld en gesust
als in eerste schemering

toen je moeders buik je wiegde
als ze danste met je vader

en niemand wist van jou
behalve zij alleen.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 14, ‘Geluk’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 14, ‘Geluk’.