Nacht- & dagpauwoog

Nacht- & dagpauwoog - animatie: JudyElf, CC by-nc-sa

Welterusten nachtpauwoog,
laat je schaduw ons beschermen
als er spoken komen spoken.
Wapper onze ogen dicht,
vouw je vale vleugels toe
over onze zorgen.

Goeiemorgen dagpauwoog,
laat je kleuren ons bekoren
als het licht ons weer verlicht.
Wapper onze ogen open,
sla je bonte vleugels uit,
op naar nieuwe kusten.

© Judy Elfferich

De reddingboot

logo Women on Waves

Er is in mijn buik iets begonnen,
een miniklontje mensendril
dat baby wordt, naar buiten wil
en eten moet en kleertjes moet,
beschermd gewassen opgevoed.

Ik zou wel een kind willen, later
als ik ooit ergens woon met een wiegje
als ik werk heb en spaargeld misschien,
als ik klaar ben met school.

Maar nu? Ik zou niet weten hoe.
Wat moet ik? Waar kan ik naartoe?
Hoelang blijft dit verborgen?

Ze zullen me slaan, me verjagen
dus hou ik het stil. Zeg geen woord.

Toch, iemand bemerkte mijn zorgen.
Zij had van dat zeeschip gehoord
waar niemand preekt of schande spreekt,
waar ze helpen, niet dwingen niet vragen.

De boot met de dokters aan boord.
Hij ligt in de haven.
We gaan overmorgen.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 22, ‘Op de schouders van reuzinnen’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 22, ‘Op de schouders van reuzinnen’.

 

 

Kletsnat sprookje

William Blake, Feeëndans (fragment)

De eerste die was fee,
zij vierde ’t onderzee.

De tweede, ietsje feeër,
zei: ‘Maar ik onderzeeër.’

De derde was het feest,
die zei: ‘Dus ik het onderzeest.’

En nummer vier? ‘Bah, al dat wier.
Nee, ik denk niet dat ik het vier.’

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 21, ‘Feest!’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 21, ‘Feest!’.

 

 

Azkaban

Azkaban

Duister is het daar en kil…
Horrordromen heb ik van
Azkaban.

Wezens zonder levenslust,
zich van zonlicht niet bewust,
zonder hoop en uitgeblust.

Door Dementors zonder ogen
zijn hun zielen opgezogen
in een gruwelijke kus.

Leeggeslurpten zonder wil,
nooit meer veilig, nergens rust.
Je verstand staat erbij stil.

Ik word wakker met een gil –
Laat me nooit meer dromen van
Azkaban!

© Judy Elfferich

.
Over Azkaban

Cultuur

Kintsugi - foto: Guggger @ Wikimedia Commons, CC by-sa (bewerkt door JudyElf)

Wij zijn oeroud.
We rooiden alle bomen,
we bakten alle klei.

Het woeste woud is lang voorbij.
Maar wildernis zit nog in mij.

De goden hebben lang niet meer gesproken.
Die moeten ook weleens een eeuwtje slapen.

Al onze potjes zijn al duizendmaal gebroken.
Steeds nieuwe mensen komen
scherven oprapen, ze lijmen met goud.

© Judy Elfferich

De Dierbaars

Jan Mankes, Jonge baars zwemmend naar rechts

De Dierbaars is mijn lievelingsvis
omdat hij straalt en glanst
en door het water danst,
zich soms even verschanst
maar ’t liefst met anderen samen is.

De Dierbaars is mijn lievelingsvis.
Een vis die gauw tevreden is,
hij houdt van zoet en zout.
Maar toch geen ja-en-amenvis
dankzij zijn stekeligheden.

Nee, zo is er geen tweede
dus ja, geef mij de Dierbaars maar,
die vis, daar hou ik van.
Hij is in vijf minuten gaar
en past in elke pan.

© Judy Elfferich

Nachtgeluiden na verhuizing

uiltje Jeroen Bosch - animatie: JudyElf

Roekoe werd hinnik
Kwaak werd andere kwaak
Treinzoef werd trekkerdreun
Windgongplingel werd notendakplok
Krantklepklapper werd kukeleku
Kef werd blaf

Maar snurk is snurk gebleven

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 18, ‘De nacht’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 18, ‘De nacht’.

 

 

Marita Parkita van Parlevink

ringen

Marita Parkita van Parlevink
draagt zeven ringen aan haar pink:
een zilveren, een gouwen,
een groene en een blauwe,
een paarse en een rooie
en één ontzettend mooie
met een echte diamant.

En wie haar al die ringen gaf?
Een zekere Dirk-Jan Donderpad,
die haar al lang bewonderd had.
Marita heeft hem nooit gezien
maar maandagavond om half tien
stond hij (een diepe bariton)
weer zingend onder haar balkon.

Het raam bleef dicht; hij zuchtte zacht,
die arme Dirk-Jan Donderpad.
Hij huilde in de regenton
en daarna droop hij af.
En kijk es, dinsdagmorgen hing
in een van de seringen
een ring met roze steen.

Marita Parkita van Parlevink
die schoof hem aan haar kleine teen
en zei: ‘Zo, dat is acht.’

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 19, ‘De liefde’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 19, ‘De liefde’.

 

 

Armando en de ladder

Armando, de Ladder - foto: Tjerk Broersma @ Wikimedia Commons, CC by-sa

Zij zaten daar gevangen.
Gevaar, altijd gevaar.
Ze droomden van een ladder.

Hij was nog klein en woonde daar toevallig.
Hij zag en hoorde ze, vlakbij, achter de hekken.

Het was oorlog, het was spannend
maar het was geen spel.
Hij droomde van een ladder.

Hij groeide op.
Hij kon het niet vergeten.
Hij maakte een ladder
zo hoog als hij kon.

Een ladder naar vroeger, naar buiten.
Een ladder naar de hemel en weer terug.

© Judy Elfferich

Clown

paarden, prehistorische kunst in de grot van Chauvet

Mijn haar vat vlam.
Ik zing wat ik kan
maar daar slaat het al over,
theater!
op paardengevaarten
met laaiende staarten,
sproeihoeven,
hordendans.

Het zoemt om mijn hoofd,
het schroeit en het knettert.
Ik klim door een hoepel
en zak in een ton.

Ik neurie en klauter
eruit, vind mijn neus,
maak een buiging,
val om.

Ik zing wat ik kan
maar ik ben kleddernat
en de waardige paarden,
dus buig ik maar weer,
vermijden voorzichtig mijn rug.

Ze draven, het spettert van vonken,
in het donker terug.

© Judy Elfferich