Spaarvarken

spaarvarken

Lang was ik de bewaarder
van mooie glimmermunten
uit verre vreemde landen.
Die kwamen uit de zakken
en koffer van mijn baas.

Een keer hielden zijn handen
me even op mijn kop,
ik zweefde door de lucht,
hij porde met iets puntigs
en ’t geld viel uit mijn rug.

Leeg werd ik meegenomen
naar Harry’s kringloopshop.
Naast een kapotte vaas
heb ik daar zacht staan grienen
en dikwijls diep gezucht.

Dat waren dieptepunten…
Toen kwam een hand me pakken.
Die klant kocht me gelijk!
Trots sta ik nu te kijk,
heel sjiek, in een vitrine.

Wie had dat kunnen dromen?
Ik glim van snoet tot staart,
blij met mijn nieuwe baas
die nergens geld bewaart
maar oude varkens spaart.

© Judy Elfferich

De moeder aller smartlappen

.
Collage-animatie door Laen Sanchez, van een ballade die eind negen­tiende, begin twintig­ste eeuw blijkbaar in grote delen van Europa bekend was, o.a. in nep-middel­eeuws Frans en Nederlands.

De Spaanse versie wordt veelal toegeschreven aan Vicente/Víctor Balaguet/Balaguer, het Spaanstalige origineel van de Engelse versie aan José La Villa Tierra. Zo gaat dat met balladen, die zijn van iedereen.

Victor de la Montagne, Een oudt liedeken, naar Jean Richepin
Jean Richepin, Y avait un’fois un pauv’gas
José La Villa Tierra, Ballad of a mother’s heart (vertaler onbekend)

Een spiegel een glimp

Zaltbommel voorheen & thans, prentbriefkaart F.L.Stehmann (Collectie Gelderland), CC by
Waal bij Zaltbommel, voor & na de bouw van de brug

Heb ik bij Bommel echt een brug gezien?
Opeens zag ik een brug. En aan weerszijden
geen pont, die je gewoonlijk daar ziet glijden
als je aan ’t sturen bent. Een tel of tien
dat ik zo stond, aan dek, aan ’t roer geklonken,
mijn koffie koud al in de tussentijd –
laat mij daar ergens uit een andersheid
een beeld ontwaren dat mijn ogen dronken.

Een fietsend joch. Zijn wapperende jas
over die brug, terwijl ik aan kwam varen.
Hij stapte af, hij lei een schrift in ’t gras,

en wat hij schreef zag ik dat verzen waren.
O, dacht ik, o, dat dat mijn zoon ooit was.
Pom pom, zong ik, mijn hart zal dit bewaren.

© Judy Elfferich

.
De moeder de vrouw (Martinus Nijhoff, april 1934)

De Bibliodocus

Bibliodocus - foto: Tavin’s origami @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

Je ziet hem wel, je hoort hem niet.
Het is een soort van heremiet,
hij trekt zich terug uit elk gewoel
op zoek naar focus…

En zonder hocus pocus
vindt hij die hier, tot zijn plezier.

Hij concentreert zich, denkt en leest.
De stilte is voor hem een feest.
Is het een beest? Is het een geest?
Het is de Bibliodocus.

© Judy Elfferich

Eierdop

knijndop

Mijn moeder gooide nooit wat weg.
Ik weet wel hoe dat kwam:
door de brand van Rotterdam.

Op een mooie lentedag
(ze was toen bijna elf)
vielen bommen uit de lucht
en brandde heel de stad.
Net op tijd zijn ze gevlucht.

Iemand ergens ving ze op:
‘Kom maar bij bij ons logeren.’
Nadat de boel wat was geblust
ging mijn opa even terug,
kijken wat er over was.

Dat was niet veel.
Aan een randje van hun bad
dat uit de puinhoop stak
zag hij waar het moest zijn.
Hij vond mijn moeders eierdop.

Stel je voor: je huis, je straat,
dat dat opeens niet meer bestaat.
Geen kamer meer, geen kleren,
geen speelgoed en geen kam,
niks van jezelf.

Alleen een eierdop
in de vorm van een konijn.
Nog helemaal heel.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 11, ‘Bewaard’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 11, ‘Bewaard’.

 

 

De teen van Tinus

Een elfstedenballade

teen

Toen Tinus aan de tocht begon
was hij in prima vorm.
Hij schaatste, schaatste wat hij kon
door sneeuw en kou en storm.

Het ijs vol scheuren overal,
je reed je ijzers krom.
Voor Sneek al kwam zijn eerste val,
een arm ging uit de kom.

Aan stoppen dacht hij geen moment:
straks op de Bonkevaart
de eerste zijn (en dat als Drent!),
dat was hem alles waard.

Hij was wel wat beteuterd
toen hij zijn pakje brood
niet open kreeg gepeuterd,
zijn vingers leken dood.

Zijn tenen voelde hij niet meer.
Hij kreeg de hongerklop.
Hij viel nog minstens twintig keer.
Maar Tinus gaf niet op.

Na alles wat hij had doorstaan
werd hij niet nummer een.
(Reinier die kwam als eerste aan
met na hem Jan en Jeen.)

Zijn vingers en zijn oren
ontdooiden net op tijd.
Eén teen was zó bevroren,
die raakte Tinus kwijt.

Hij dacht: nu moet ik zonder
die teen door ’t leven gaan.
Maar wonder boven wonder,
hij groeide toch weer aan.

(De oude teen van Tinus
heeft nu een ereplaats
waar hij altijd te zien is:
’t museum van de schaats.)

© Judy Elfferich

Het Hindelooper Schaatsmuseum bewaart echt een stuk van Tinus Uddings in 1963 bevroren teen.

Over de Elfstedentocht van 1963
Fimpje: Tinus Udding vertelt over zijn avonturen

Winterse haiku

.
De noordwesterstorm
blaast de rode avondzon
de oceaan in.

Sōseki Natsume (1867-1916) | © vertaling: Judy Elfferich

.

Ets & animatie: Emilie Phuong.

.
Het oorspronkelijke gedicht:

こがらしや 海に夕日を 吹き落とす

Red velvet blues

blues-mondharmonica

Wat vond ik in de keukenla?
Een oude mondharmonica
verpakt in rood fluweel.

Hij was van mijn oom Mario,
die zat in een beroemde band.
Hij had oranje haar
en overal tattoos.

Nog steeds is hij bekend
want soms klinkt uit de radio
ditzelfde instrument.

Dat ik zijn beste nummer
er nu heel vaak op speel
heeft Mario vast nooit verwacht.

Mijn zus wordt later drummer,
mijn broer wil een gitaar.
En dan naar een talentenjacht,
een impresario…

Ik oefen de Red velvet blues
en doe de mondharmonica
weer in haar rode hoes.

© Judy Elfferich

Misselijk

ABCHOCOLABC door JudyElf, CC by-nc-sa

Ik oefen de letters eenmaal per jaar.
Dan leg ik ze allemaal naast elkaar.

Chocola-ABC,
puur, melk en met noot.
Het zijn er een boel, zeg.
En ook wel groot.

Stap voor stap, hap voor hap,
zo gaat dat het best.
Ik begin bij de A.
En dan de rest.

Bij de O krijg ik last
van pijn in mijn maag.
Bij de W zegt mijn buik:
genoeg vandaag.

Nu nog drie: X, Y, Z.
Mijn tanden erin.
En dan dapper slikken,
met tegenzin.

Gelukkig, voorlopig is ’t nu weer klaar.
Ik oefen de letters eenmaal per jaar.

© Judy Elfferich