De Dooievaar

kiekeboe

Een witte veer waait op de wind,
Een zwarte veer drijft in de sloot.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een Hagenaar.
Die zei: ‘Hè, is ie weg? Wat raar.’
We vroegen ’t een Egyptenaar.
Die zei: ‘Ik zag hem vorig jaar.’

We vroegen het een steunpilaar.
Die zei: ‘Het nest voelt minder zwaar.’
We vroegen het een makelaar.
Die zei: ‘Piekfijn en instapklaar.’

We vroegen het een weduwnaar.
Die zei: ‘Hij is nu vast bij haar.’
We vroegen het een moordenaar.
Die zei: ‘Zijn botjes liggen daar.’

We vroegen het een lepelaar.
Die zei: ‘Hij smaakte nergens naar.’
We vroegen het een leugenaar.
Die zei: ‘Daar is geen woord van waar.’

Soms zien we ergens even
een schaduw overzweven.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een vogelaar.
Die zei: ‘Hou nou je snavel maar.’

© Judy Elfferich

Even wat anders

robots

‘Zullen we dan maar?’
zeiden de robots tegen elkaar.

Grasmaairobot, stofzuigrobot,
slimme ijskast, zelfkloppende mat,
vloerdweilrobot, schoenpoetsrobot,
zelfuitlatende hond en mechanische kat,
ze hadden het helemaal gehad.

Zelfrijdende auto nam ze mee
naar een bungalow aan zee.

En daar in dat vakantiehuis
deden ze alles net als thuis:
grasmaaien, kloppen, koelen,
dweilen, kwispelen, kroelen.

Tevreden zijn ze teruggereden
na drie weken verlof.

Nu zuigen ze gewoon weer stof
en poetsen ze weer schoen,
dat is wat robots doen.

Af en toe zeggen ze tegen elkaar:
‘Het was anders hè, daar.
Meer zout, meer zand, meer vogelschijt,
dat heb je in vakantietijd.’

© Judy Elfferich

Dertien duiveltjes

Duiveltjes - animatie: JudyElf, CC by-nc-sa

’s Avonds als ik slapen ga
sluipen mij dertien duiveltjes na:
twee die me vangen,
twee die me stangen,
twee die me testen,
twee die me pesten,
twee die me grijpen,
twee die me knijpen,
twee die me kwellen
omdat ik niet kan tellen.

© Judy Elfferich

De veer

.
Een veertje zweefde over land;
een nijlpaard soesde in het zand.

De veer zei: ‘Als ik die eens wek?’
Ze hield graag anderen voor de gek.

Ze liet zich op het nijlpaard neer
en kietelde zijn dikke leer.

Het nijlpaard opende zijn tater
en barstte uit in luid geschater.

Joachim Ringelnatz (1883-1934) | © vertaling: Judy Elfferich

.

Kleianimatie: Cornelia Anders.

.
Het oorspronkelijke gedicht: Die Feder
Over Joachim Ringelnatz

De Erbarmsijs

Meezinger voor pechvogels
die de Matthäus moeten missen

Erbarmsijs - foto: Cephas @ Wikimedia Commons, CC by-sa (bewerkt door JudyElf)

Heb medelij met die sijs
heb medelij, ocharm
Hij weet geen ander wijsje
Heb medelij met die sijs
heb medelij met die sijs
ocharm, heb medelijden
heb medelij met die sijs
Hij weet geen ander
ach, weet geen ander wijsje
Heb medelij met die sijs
ocharm, hij weet geen ander
ach, weet geen ander wijsje

Zielepiet, zielepiet
Altijd maar datzelfde lied
zelfde lied, sta me bij
Heb medelij, heb medelij

Heb medelij met die sijs
ocharm
Hij weet geen ander wijsje
Heb medelij met die sijs
heb medelij met die sijs
ocharm, heb medelijden
heb medelij met die sijs
Hij weet geen ander
ach, weet geen ander wijsje
Heb medelij met die sijs
ocharm, hij weet geen ander
ocharm, geen ander wijsje

© Judy Elfferich

Volle maan…

.

Volle maan was ’t, aardedonker,
groen en sneeuwbedekt het veld,
toen een trage wagen ronkend
om het hoekje kwam gesneld.

Passagiers stonden te zitten,
zwijgend in gesprek verdiept,
toen een net verdronken kitten
schaatsend op een zandbank liep.

En de wagen spurtte verder,
terug naar verre heuveltop.
Boven wond een Duitse herder
juist de torenklokken op.

Overal een diep, diep zwijgen
en met vreselijk gekraak
speelden tussen graspol-twijgen
twee kamelen muisstil schaak.

Op een bank van rode planken,
pas nog blauwgeschilderd, zat
blij een blonde knul te janken
die raafzwarte krullen had.

Naast hem een gerimpeld besje,
zeventien jaar oud hooguit;
zij besmeerde met een mesje
een verkruimelde beschuit.

Op de appelboom z’n kruintje,
dat de zoetste peren droeg,
hing het laatste lentepruimpje
tussen noten, ruim genoeg.

Van de straten, nat van regen,
stoof veel stof op, grijs en goor.
En een jongen kon niet tegen
zijn bloedheet bevroren oor.

Met zijn handen in zijn zakken
dekte hij zijn ogen toe,
want hij had de schrik te pakken
van de fruitvlaai van de koe.

En twee vissen liepen monter
door het hemelsblauwe graan.
Eindelijk, de zon ging onder
en de grauwe dag brak aan.

(Cats schreef dit gedicht van Vondel
’s morgens in de avondstonde,
toen hij op zijn nachtpot zat
lezend in het ochtendblad.)

Duits leugenvers, schrijver onbekend | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke vers: Dunkel war’s…, varianten
Over leugenliteratuur

Sst…

roze ei
In het heimelaatje
slaapt een roze ei.
Daarin groeit een kuiken
dat weet van jou & mij.

Achter de verklapdeur
loert een paarse papegaai,
pleister om z’n snavel.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’.

 

 

De Waarnaartoekan

Waarnaartoekan - foto: giggel @ Wikimedia Commons, CC by (bewerkt door JudyElf)

Als hij maar éven zijn vleugels spreidt
roepen de andere vogels geheid:
‘Hé, ga jij een reis beginnen?
Waarnaartoe dan?’

Tjee, denkt hij, ik heb geen idee.
Moet ik dat vooraf verzinnen?
Nee, er schiet me niks te binnen.
Man, daar word je moe van…

Kijk, hij zit daar nog altijd,
de Waarnaartoekan.

© Judy Elfferich

Gelukskever

scarabee

Onder in mijn kopje thee
vond ik bij het ontbijt
een kever, groen met goud:
een echte scarabee,
Egyptisch en oeroud.

Een soort museumstuk.
Op zijn buik staan allemaal
hiërogliefen, tovertaal
uit Toetankhamons tijd.
Ik dacht: die brengt geluk.

Dus naar school nam ik hem mee
aan een ketting om mijn nek.
Nou hadden we vandaag
toevallig bij geschiedenis
een Knappe Koppen Kwis.

Meteen al bij de eerste vraag
kroop die kever naar mijn oor
en zei het goede antwoord voor.
En zo ging het dus door…
Ik wil hem nooit meer kwijt.

Bij elke toets, bij elk dictee
vertrouw ik op mijn scarabee.
Het is een echte crack.
(En ooit raak ik gewend
aan zijn Egyptische accent.)

© Judy Elfferich

Gerijmel van een ouder iemand

W.H. Auden in de jaren zestig
voor Robert Lederer

Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.

De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.

Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.

De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.

Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.

Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.

’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.

Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.

Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.

Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.

Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.

De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.

Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.

En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.

W.H. Auden (1907-1973) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: Doggerel by a senior citizen
Over W.H. Auden