Red velvet blues

blues-mondharmonica

Wat vond ik in de keukenla?
Een oude mondharmonica
verpakt in rood fluweel.

Hij was van mijn oom Mario,
die zat in een beroemde band.
Hij had oranje haar
en overal tattoos.

Nog steeds is hij bekend
want soms klinkt uit de radio
ditzelfde instrument.

Dat ik zijn beste nummer
er nu heel vaak op speel
heeft Mario vast nooit verwacht.

Mijn zus wordt later drummer,
mijn broer wil een gitaar.
En dan naar een talentenjacht,
een impresario…

Ik oefen de Red velvet blues
en doe de mondharmonica
weer in haar rode hoes.

© Judy Elfferich

Misselijk

ABCHOCOLABC door JudyElf, CC by-nc-sa

Ik oefen de letters eenmaal per jaar.
Dan leg ik ze allemaal naast elkaar.

Chocola-ABC,
puur, melk en met noot.
Het zijn er een boel, zeg.
En ook wel groot.

Stap voor stap, hap voor hap,
zo gaat dat het best.
Ik begin bij de A.
En dan de rest.

Bij de O krijg ik last
van pijn in mijn maag.
Bij de W zegt mijn buik:
genoeg vandaag.

Nu nog drie: X, Y, Z.
Mijn tanden erin.
En dan dapper slikken,
met tegenzin.

Gelukkig, voorlopig is ’t nu weer klaar.
Ik oefen de letters eenmaal per jaar.

© Judy Elfferich

Prometheus

Prometheus, illustratie © Dilyara Samoylova
 © Dilyara Samoylova, nominatie stArt Award 2018

Wat ik jou wens, mijn kleine mens?
Je lijdt maar kou, eet alles rauw,
omdat god Zeus je ’t vuur niet gunt…

Ik steel het voor je, wat een stunt!
Met vonk en gloed in brein en bloed
verdwijnt de grens van wat je kunt.

© Judy Elfferich

.
BoekieBoekie ‘Griekse Helden’

 

Dit gedicht staat in BoekieBoekie ‘Griekse Helden’ (jaarboek 2018).

 

 

Vriendenboek

Best friends forever - foto: Eden, Janine and Jim @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

Anne-Fleur (die altijd zeurt)
heb ik, rats! eruit gescheurd.

Noor (ze trekken haar steeds voor),
Finn (van wie ik nooit eens win),
Saar (vindt altijd alles raar)…
Rats! Rats! Rats!

Joep (geeft niemand van z’n snoep),
Jet (speelt o zo vals trompet),
Daan (die kijkt me niet meer aan)…
Rats! Rats! Rats!

En Mats… eh, wie was ook weer Mats?
Rats!

Allemaal eruit gescheurd,
zó gebeurd.

Hm. Wel een dun boekje nou.
Als ik de rest eens dubbelvouw?

Nee, dat is niks. Ik moet op zoek
naar vrienden voor een ander boek.

© Judy Elfferich

Aan elkaar

krabbels, illustratie © Job van Gelder (fragment)
fragment illustratie DICHTER. | © Job van Gelder

Mijn zusje vraagt: ‘Hoe was het daar,
je allereerste dag op school?
En wat heb je geleerd?’

‘Nou, schrijven’, zeg ik. ‘Aan elkaar!
Zal ik het laten zien?’
Met lussen en met krullen
schrijf ik vijf blaadjes vol.

Ze zegt: ‘Niet waar, ik heb je door:
je hebt maar wat gezegd,
je kan het nog niet echt.’

Ik zeg van wel, ga supersnel
weer nieuwe blaadjes vullen,
ben al bij blaadje tien.

Ze trekt aan blaadje zeven
en roept: ‘Hou op nou, stop
en lees het aan me voor!’

Ik zeg: ‘Ahum, waar is mijn gum?
Er ging een lettertje verkeerd.
Eh, ik kan nog niet lezen, nee,
dat leren we pas op dag twee.’

Ze zegt: ‘Geef hier, al dat papier.
Ik lees het zelf wel even.’
En hopla, ze leest alles op
wat ik heb opgeschreven.

En het verhaal klopt helemaal,
zelfs met de blaadjes op hun kop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER.-special ‘Tem de tekens’

 

Dit gedicht staat in de DICHTER.-special ‘Tem de tekens’.

 

 

Naar Groenland

Erik de Rode

Thorvalds zoon Erik
was vurig van aard:
als iets hem niet zinde
greep hij z’n zwaard.

Felrood zijn haardos
en felrood het bloed
als hij weer geknokt had.
Dat ging niet goed…

Overal raakte
die vechtjas berucht;
op IJsland verstoten
nam hij de vlucht.

Iemand vertelde
van land overzee
dus Erik zei: ‘Makkers,
wie gaat er mee?’

Helblauw de hemel
en helgeel de zon
toen Erik de Rode
zijn reis begon.

Wijd was het water,
tjokvol was de boot
en kapitein Erik
zijn baard was rood.

Roeien maar, roeien
op karig rantsoen,
verlangend naar heuvels
begroeid met groen.

‘Onder de bomen
daar rusten we uit;
we dansen, we vinden
een mooie bruid!’

Stokvis op, brood op,
weg scheepsproviand.
De horizon zonder
een streepje land.

Half buiten westen
en flink onderkoeld,
zo zijn ze ten slotte
aan wal gespoeld.

Nergens was maanlicht
en zwart was de nacht
toen Erik de Rode
zijn tocht volbracht.

Dus bij zonsopgang
ontdekte hij pas:
hier groeide geen struik en
geen sprietje gras.

Wit blonk het eiland
vol sneeuw en vol ijs
waar Erik terechtkwam
na heel die reis…

‘Toch noem ik het Groenland!’
zei hij eigenwijs.

© Judy Elfferich

Samen op avontuur

.
Toen de vriendschap van Harry en mij net begon
was hij nog maar tien; later zouden we zien
wat hij allemaal kon.

Hermelien, Ron en hij
in de Zweinstein Express.
Bij Sneep in de les.
En ik ben daarbij.

En Tiuri? Die sloop zomaar weg in de nacht;
ik ging met hem mee, zonder enig idee
wat de toekomst ons bracht.

Trouwe Piak en hij
over bergkam en brug.
Op Ardanwens rug.
En ik ben daarbij.

Tiuri en Harry,
met hen aan je zij
durf je meer dan je dacht.

Moet je dwars door een muur
of op eng avontuur?
Dan helpen die twee.

© Judy Elfferich

.
Harry Potter deel 1, coverDe brief voor de koning, cover

Bij een Barbadiaanse baai

Hangmat

Bij een Barbadiaanse baai
staan twee Barbadiaanse bomen.
Aan die Barbadiaanse bomen
hangt een Barbadiaanse hangmat.
In die Barbadiaanse hangmat
drinkt een heer, zeer in zijn hum,
uit een Barbadiaanse beker
thee met Barbadiaanse rum.

(Als hij straks gaat pootjebaden
spoelt hij rustig en bedaard
alle rum die hij gemorst heeft
uit zijn Barbadiaanse baard.)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 8, ‘Het Wereldnummer’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 8, ‘het wereldnummer’.

 

 

Kora van de korenbloemen

granaatappelpitten

Demeter:
Mensen waren eerst nomaden
zonder huis en zonder haard
die op hazen, herten joegen,
bessen, bramen, noten plukten.
Altijd maar naar eten zoekend,
nu eens hier en dan weer daar.

Maar ze wenden aan het wonen
en ze leerden tuintjes maken,
gingen met de gieter rond,
leerden wachten tot de zaden
uitgroeiden tot graan en bonen
op een eigen lapje grond.

Ik laat al hun oogsten lukken.
Graan voor meel en meel voor brood,
dankzij mij geen hongersnood.

Kora:
Ja ja ja moeder Demeter,
ja dat dacht je, in je dromen.
Vroeger toen was alles beter,
één oneindig lange zomer,
maar die tijden zijn voorbij.

Demeter:
Juist, een patserige kerel
dook hier op en weg was jij.
Hades uit de onderwereld
met zijn duistere praktijken,
tja die gaat dus over lijken…
Kom je ooit nog terug bij mij?

Vogels, vlinders, bijen treuren
want geen bloem die nu nog bloeit.
Hoe kon dit zomaar gebeuren?
Kale velden, dorre akkers,
honger houdt de mensen wakker,
heel hun oogst heb ik verknoeid.

Goed, ik ben bij Zeus gaan smeken;
hij gaf Hades te verstaan:
jij moet Kora laten gaan.

Kora:
Die liet het er niet bij zitten:
hij gaf mij een handje pitten
van granaatappels te eten
en, had ik dat maar geweten,
nu zit ik dus aan hem vast.

Demeter:
Had ik alles voor elkaar,
ga jij rode pitten slikken
zodat hij ons dit kon flikken!
Had toch beter opgepast…
Wie iets opeet daar beneden
is niet meer vrijblijvend gast.

Jij blijft deels bij Hades wonen,
bovenkomen mag je maar
zoveel maanden van het jaar.

Kora:
O, bij jou hier heel de zomer
en de wintermaanden daar?
Nog niet alles is verkeken!

Demeter:
Voortaan hebben we seizoenen:
in de winter duik je onder
en verdwijnt met jou de zon
maar verschijn je uit het donker,
Kora van de korenbloemen,
dan schiet graan weer uit de grond.

Vogels zingen, bijen zoemen,
duizend vlinders vliegen rond
als mijn dochter Kora komt.

© Judy Elfferich

.
BoekieBoekie ‘Griekse Helden’

 

Dit gedicht staat in BoekieBoekie ‘Griekse Helden’ (jaarboek 2018).