De Wollefop

De Wollefop wist niet zo goed
wat hij van zichzelf moest maken.

Is dus zomaar wat gaan haken, babyblauw
breide hij er beetjes bij, knoopte eindjes aan elkaar,
punnikte een flinke staart.

Maar soms liet hij steken vallen, raadselblauw
raakte er een draadje los, of er kwam een mot voorbij
die een hap nam uit z’n vacht.

En een keer werd hij gewassen, zeeziekblauw
in het veel te hete sop… Toen wist hij het echt niet meer,
voelde zich een prullig vod.

Hingen ze hem kletsnat op, bibberblauw
met een knijper aan z’n oor. Is hij van de lijn gewaaid,
vloog over de hoogste daken

tot hij neerkwam voor mijn deur, wazigblauw
lag hij zielig in de prut. Dus maar zacht voor hem gezongen,
hem voorzichtig uitgewrongen.

Kijk, hij krijgt alweer wat kleur, knipoogblauw
glimt z’n opgelapte snuit. Alle rafels vastgenaaid,
vale plekken weggeaaid.

Vraagt vergeet-me-nietjes-blauw: ‘Blijven slapen?’
Eindelijk weet hij wat hij wou,
de Wollefop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 7, ‘Blauw’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 7, ‘Blauw’.

 

 

EN? vroeg het schaap Veronica

.
EN? vroeg het schaap Veronica. Hoe vond u de ruïne?
Hoe of de reünie was? antwoordden de dames Groen.
Apart! We stapten als het ware in een tijdmachine
en hupsakee, we waren weer de meisjes Groen van toen.

We hebben heerlijk bijgekletst met al onze vriendinnen
en onze oude handwerkjuf, Sybilla van der Zwam –
maar tegen middernacht kwam er een rare snuiter binnen,
die zei dat hij Henk Suikerbuik was, onze oude vlam!

Het was een morsig manspersoon met ongepoetste schoenen;
hij leek geen spat, geen sikkepit op onze knappe Henk.
Dag schatjes! riep hij. Jullie heb ik ooit nog leren zoenen!
En kijk, mijn trui bewijst dat ik nog steeds aan jullie denk.

Nou hébben we destijds voor Henk een Noorse trui gebrejen…
We keken nog eens goed en toen herkenden we de wol.
Dus inderdaad, we hebben met die griezel ooit gevrejen!
De prins van onze dromen bleek veranderd in een trol.

We zeiden goeienavond en we pakten onze jassen.
Maar Henk, helaas, die moest en zou met ons mee naar de trem.
En laat ie nou in ’t park tegen een conifeer gaan plassen!
We gingen ervandoor, we hadden schoon genoeg van hem.

Ze zwegen, want de dominee verscheen met rode rozen,
een knoert van een boeket, zojuist bezorgd door de bloemist.
Verbaasd las hij het kaartje voor (en moest wel even blozen):
Veel liefs van Henk. En sorry dat ik daarzo heb gepist.

Dat was dan de ruïne, zei het schaap Veronica.
Toen at ze alle rozen op, met sjokoladevla.

© Judy Elfferich

.
Het hele schaap Veronica, cover
Omslagtekening: Wim Bijmoer

.
Meer schaap-Veronica-verzen

.
OPROEP:

Schrijf ook eens een schaap!
Het Vrije Vers hoopt de komende week een hele kudde te verzamelen.
.