Aan Nehalennia

Nehalennia-altaar - Rijksmuseum van Oudheden, Leiden; CC by (bewerkt door JudyElf)

Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
we brengen je brood en we brengen je fruit
voor we uitvaren, op naar Britannia.

Stoere schippers zijn wij op de Schelde, de Rijn,
maar de wijde Noordzee maakt ons nietig en klein.
Daar zijn we geen helden, o nee!

We varen met vissaus, we varen met zout
dus we vrezen de wraak van de zee.
We varen met wijn en met potten van klei
dus het land gaat altijd met ons mee.

We leggen ons lot in jouw handen,
zorg jij dat de kustvuren branden.
We ontsteken flambouwen en zingen een lied.
Ooit gaan we ten onder, maar dit keer nog niet.

Gegroet Nehalennia, wij gaan aan boord.
Stuurvrouwe onder je schelpbaldakijn,
breng ons veilig hier terug aan de kade,
met schatten beladen, door niemand beroofd.

Je hond doet een hap naar de maan,
draait zich om, kijkt ons kwispelend aan.
Wil dat zeggen: akkoord?

Dan komt hier als dank straks een altaar te staan
met daarop, in ons beste Latijn:
Voor Nehalennia, beloofd is beloofd.

© Judy Elfferich

Over de godin Nehalennia

De Lorelei

Lorelei, Helen Stratton
Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

naar Heinrich Heine (1797-1856) | © Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

DIE LORELEY

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.

.

En wat er later van haar is geworden?
Dat onthult C. Buddingh’: De turelurelei.