De Boterhamster

Broodmandje, illustratie © Jaap van den Born

Heb jij thuis een Boterhamster
die verkruimelt van chagrijn?

Hangt hij alsmaar languissant
en met ingevallen wangen
in zijn broodmandje te hangen?

Klaagt hij over zielepijn
en een bitterzoet verlangen?
En kun jij daar niet meer tegen?

Stuur hem even uit logeren
in Auberge De Twee Beren,
aan de kust bij Knasperzand.

(Moet je daarna constateren
dat hij blijft jeremiëren,
is nu echt het huis te klein?

Dan valt nog te overwegen:
vang & tem een Marmelant.)

© Judy Elfferich

(illustratie: © Jaap van den Born)

De Grumpel & de Raburp

Grumpel, illustratie © Jaap van den Born

Eenmaal in de achttien dagen
kruipt de Grumpel uit de grond
om aan de Raburp te vragen
waar de bus stopt naar Roermond.

De Raburp pakt dan een takje
en gaat zitten op zijn kont,
en hij schetst op zijn gemakje
in het zand een plattegrond.

Alle haltes, alle lijnen
van de trein, de tram, de pont
ziet de Grumpel daar verschijnen
en hij kijkt met open mond.

‘Doei!’ hoort hij dan plots. ‘De groeten,
enig om je te ontmoeten,
veel plezier straks in Roermond
met je broer en zeven zussen!’

Zoekend blikt hij in het rond:
de Raburp is ervantussen,
maakte vlot zich uit de voeten
naar een verre horizont.

‘Hela, je vergeet de bussen…’
zegt de Grumpel met een frons
maar er reageert geen hond.

Dus hij antwoordt binnensmonds:
‘Nou, tot over achttien dagen!’
en hij gaat weer ondergronds.

(Soms voelt hij de boel bewegen
als er boven hem een lege
bus voorbijscheurt naar Roermond.)

© Judy Elfferich

(illustratie: © Jaap van den Born)

De Snavelstaart

Yin-yang-vogelkooi

Lang had de Snavelstaart gewacht
en stil had hij gezwegen;
aan sproeten had hij nooit gedacht,
toch heeft hij ze gekregen.

Wat is de Zin? zo peinsde hij.
Waarom kreeg ik geen voeten
of vleugels, maar voorzag men mij
van honderddertien sproeten?

Hij pakte puur op zijn gevoel
zijn staartpunt in zijn snavel
en trok zijn hele buitenboel
naar binnen door zijn navel –

En floep! hij was een Suizebol,
vanbuiten vol, vanbinnen dol,
die door de ruimte tolde

tot hij in ’t sterrenstelsel Froen
getroffen door een zwerkbalschoen
een muizenhol in rolde.

Een eeuwigheid of tig miljard
gebeurde in dat zwarte gat
geen sikkepit, geen snars, geen spat.

Er moet Iets zijn dat mij dit flikt,
dacht hij. Het is Al voorbeschikt.
Er moet Iets…
(enz.) – totdat:


Zwoesj! Froen vloog in een sterrenstorm
een bocht uit van de tijd;
prompt sprong hij in zijn oude vorm
van voor de sproetigheid.

(Een achterlijf van enkel staart,
als voorlijf slechts een snavel
en met daartussen uiteraard
die peilloos diepe navel.)

De Snavelstaart is terug bij af:
hij weet van niks en zwijgt.
Vandaag of morgen staat hij paf,
als hij weer sproeten krijgt.

© Judy Elfferich

De Relikwibus

Paul Klee, Der Goldfisch (fragment)
De Relikwibus heeft een steen,
die ligt op zijn balkon.
Daar hinkelt hij driemaal omheen
bij ’t opgaan van de zon.
God weet wat hem te wachten staat
als hij dat een keer overslaat.

De Relikwibus eet beschuit
met muisjes als ontbijt.
Per kleur telt hij die muisjes uit
voor alle zekerheid.
Een uitgebalanceerd dieet
voorkomt onnoemelijk veel leed.

De Relikwibus heeft een vis
die rondzwemt in een kom.
Zolang de toestand gunstig is
maakt die zijn bocht linksom.
Maar draait hij naar de andere kant,
dan is er vast iets aan de hand.

De Relikwibus draagt een pet
die ooit de Sint hem gaf.
Hij heeft hem destijds opgezet
en zet hem nooit meer af.
Waait hij ooit weg of raakt hij zoek,
dan komt dat in het Grote Boek.

De Relikwibus heeft een baard
(naar voorbeeld van zijn pa)
waarin hij spiekbriefjes bewaart
met Dag en O en Tja.
Die antwoorden zijn altijd goed
als hij op straat iemand ontmoet.

Eens moet de Relikwibus gaan,
dan hinkelt hij naar zee
en bij het schijnsel van de maan
breekt hij zijn steen in twee.
Hij eet nog eenmaal een beschuit
en wuift zijn vis het zeegat uit.

Zijn pet heeft hij voor ’t laatst bewaard.
Hij mikt, hij slikt en staart hem na.
Hij frummelt even aan zijn baard
en zegt dan: ‘Tja.’

© Judy Elfferich

De Haper

Sleepless, © James Dankert, all rights reserved
    Sleepless | © James Dankert

De Haper kan niet slapen,
zijn denkschuif wil niet dicht.
Zijn vliegwiel blijft maar draaien,
wat o zo lastig ligt.

‘O was ik maar een kater,
een doedier zonder dacht!
Dan volgde ik mijn snorren
en joeg de hele nacht.’

De Haper ligt te malen,
wak staart hij in het donk.
Er kruipen kriebelmieren
door zijn gedachtenkronk.

‘O was ik maar een gaper
die omviel van de slaap!
Helaas, ik ben een Haper,
ik haap.’

© Judy Elfferich

Leo Vroman ✝

.
DE TIJGER EN DE HARINGSLA

Een tijger zat een haringsla
met boze plannen achterna.

De haringsla was vlug ter been:
het oerwoud stormde door haar heen.

Zij scheerde laag langs gras en paden:
zij was een van de snelste sladen.

Augurkjeskruim en zachte graten
moest zij van het rennen laten.

Het engst waren de stukjes biet.
De tijger snoof maar wou die niet.

Wel verloor hij zo zijn tijd.
Hij was haar dan ook spoedig kwijt.

Wat nog van haar over was
zat uit te puffen in het gras.

Alleen haar haring bleef bestaan.
Maar daar komt alles toch op aan?

Moraal:
Gevaar en vreselijke ervaring
verheffen ons tot pure haring.

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: Fabels (1962)

De Pierewieps

De Pierewieps
Als je ooit een zwierig tiep ziet
felgekleurd als Engels drop
met een paarse duikbril op
en (die kun je echt niet missen)
een propeller op zijn kop,
moet je je al zwaar vergissen
of het is de Pierewieps.

Sluip erheen voordat hij wegvliegt,
trek zijn aandacht door te sissen:
‘Pierewieps! Pierewieps!’

Na een rondje pierewaaien
klapt hij zijn propeller in.
Lok hem met een suikerboontje,
dan mag je zijn dropneus aaien
en zijn geelgestreepte kin.

Als hij ziet dat jij het bent
is hij in zijn pierement,
kruipt ie in je telefoontje.
Kijk hoe hij over je scherm schiet
met zijn paarse duikbril op.

Hoor, hij zingt zijn pierewiepslied,
telkens weer datzelfde toontje:
‘♫ Pierewieps! ♫ Pierewieps!’

© Judy Elfferich

Het Vledeweekdier

Vledeweekdier

De Woens zei: ‘Beste vrienden,
ik wil weer eens naar zee.
Wat varen en wat vissen…
Wie gaat er met me mee?’

‘Potdomme!’ zei de Zater.
‘Ik wilde dat ik kon
maar ik vertrek vandaag voor
een reisje naar de zon.’

De Dins zuchtte beteuterd:
‘Helaas, ik kan niet gaan.
Mijn hengel is sinds gister
volledig naar de maan.’

‘Naar zee toe?’ zei de Donder.
‘Dat is echt iets voor mij.
Het komt goed uit, want morgen
heb ik toevallig vrij.’

De Woens pakte zijn schepnet,
de Donder zijn harpoen;
ze regelden een bootje
en voeren uit. Maar toen –

Hap! zei het Vledeweekdier,
dat achterlijke beest.
Ze gingen kopje-onder
en waren er geweest.

© Judy Elfferich

De Vlabber & de Vlaar

.
Elke ochtend na het opstaan
staan de Vlabber en de Vlaar
met z’n tweeën voor de spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie van ons was nou de Vlabber?’

Tja, daar staan ze dan te dubben
met hun harken in hun haar.
‘Heel de nacht alles onthouden
krijg ik echt niet voor elkaar!’
roept de Vlaar dan (of de Vlabber?).

En de ander antwoordt kriegel:
‘Even denken… Rustig maar!
Kijk, mijn kop lijkt op een zwabber
en mijn lijf lijkt op een schaar.
Dus dan ben ik vast de Vlabber.’

Elke avond voor ’t naar bed gaan
staart de Vlaar weer met de Vlabber
in diezelfde grote spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie was ook al weer de Vlaar?’

Heel de dag alles onthouden
is voor hen een groot bezwaar
dus daar staan ze weer te dubben.
‘Jouw geheugen is belabberd!’
roept de Vlabber (of de Vlaar?).

En dan zegt de ander maar:
‘Kijk, mijn kop lijkt op een vlieger
en mijn lijf op een gitaar.
Volgens mij ben ik de Vlaar,
dan ben jij vanzelf de Vlabber.’

Tja, dan gaan ze maar weer slapen
en dan staan ze maar weer op
en ze koken hun rabarber
en ze roken hun sigaar
en dan zijn ze ’t wéér vergeten.

‘Maar dat kan ons mooi niks schelen’,
giechelt de verstrooide Vlabber
– of, wie weet, de suffe Vlaar?

© Judy Elfferich

.
Er zit een feest in mij

.
Benieuwd hoe de Vlabber & de Vlaar eruitzien?
Kijk dan in Er zit een feest in mij, Querido’s Poëziespektakel 5:
op pagina 74-75 staat hun portret (door Willem Lagerwaard).
 
 
 

De Katzenjammer

Richard Lydekker, Lynx (1896)
Daar gaat de Katzenjammer.
Hij voelt zich rottig.

Ooit was meneer de bink:
bloedgeil, bloedlink,
met alle stoere katers
de beste maatjes
en van de zwoelste poezen
de lievelynx.

Maar waar zijn nou zijn praatjes?
Waar is die ruige patser
die geurig pist
die vurig krijst
die lenig springt?

Daar gaat de Katzenjammer
die nooit meer spint.

De pluimen op zijn oren
hebben hun schwung verloren,
zijn poten worden strammer,
zijn vacht is vaal en mottig.
Hoor hoe hij treurig zingt:

‘Het mist in mij, het mist in mij,
het miezert in mijn maag.
Het schemert voor mijn ogen,
mijn hart klopt ijzig traag.
Ik voel me flauw, mijn bloed is lauw
omdat het niet meer gist in mij,
omdat ik niet meer jaag.’

Nooit krijgt hij meer een kopje,
de allerkrolste poezen
bezien hem onbewogen.
De katers smoezen spottend:

‘Daar gaat de Katzenjammer,
die zonderlynx.’

© Judy Elfferich

.
(Zesde prijs Willem Wilmink Dichtwedstrijd 2013.
Het mist in mij was de verplichte regel, gekozen door Ted van Lieshout.)