De Nimmermerel

Nimmermerel - foto: Luz Adriana Villa A. @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)
Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’

© Judy Elfferich
Veer

Drie carrolladen

The Mad Gardener
Hij dacht dat hij een eekhoorn zag
Die knaagde op een pen.
Hij keek wat beter en het bleek
Jan-Willem van der Ven.
‘Een proefrit kan altijd’, zei hij,
‘In deze Citroën.’

Hij dacht dat hij een zwabber zag
Die zweefde naar de zon.
Hij keek wat beter en het bleek
Een grieperige non.
‘Buut vrij, jij bent hem!’ brulde hij
En dook van het balkon.

Hij dacht dat hij drie beren zag
Die klunsden met een krik.
Hij keek wat beter en het bleek
Een bakker met de hik.
‘Boe!’ zei hij. ‘Drie kadetjes en
Een halve krentenmik.’

© Judy Elfferich

.
Meer carrolladen

De carrollade (naar het voorbeeld van The Mad Gardener’s Song van Lewis Carroll) is enkele jaren geleden herontdekt door Jaap van den Born. Daan Zonderland was ooit de eerste Nederlandse beoefenaar van deze versvorm.

De Marmelant

gevangen Marmelanten - foto: Malene Thyssen @ Wikimedia Commons, CC by-sa (bewerkt door JudyElf)

Om een Marmelant te vangen
stap je op de vroegste trein.
Bij het krieken van de ochtend
sluip je naar ’t Oranjeplein.

Leg een melktand van een meisje
op de rand van de fontein;
ga dan gauw achter een boom staan,
hou je groot en maak je klein.

Zie je kringen in het water?
Eropaf! Dat is het sein.
Pak nu gauw een glazen potje
of een tas van Albert Heijn…

(Kijk wel uit, ook anderen azen
op zo’n tandje fraai & fijn:
Appelstropers, Pindakaters
en de Ultramandarijn.

Zie je zo eentje verschijnen,
roep dan dadelijk: ‘Verdwijn!’
Maar gelukkig blijkt het meestal
toch een Marmelant te zijn.)

© Judy Elfferich

De Boterhamster

Broodmandje, illustratie © Jaap van den Born

Heb jij thuis een Boterhamster
die verkruimelt van chagrijn?

Hangt hij alsmaar languissant
en met ingevallen wangen
in zijn broodmandje te hangen?

Klaagt hij over zielepijn
en een bitterzoet verlangen?
En kun jij daar niet meer tegen?

Stuur hem even uit logeren
in Auberge De Twee Beren,
aan de kust bij Knasperzand.

(Moet je daarna constateren
dat hij blijft jeremiëren,
is nu echt het huis te klein?

Dan valt nog te overwegen:
vang & tem een Marmelant.)

© Judy Elfferich

(illustratie: © Jaap van den Born)

De Grumpel & de Raburp

Grumpel, illustratie © Jaap van den Born

Eenmaal in de achttien dagen
kruipt de Grumpel uit de grond
om aan de Raburp te vragen
waar de bus stopt naar Roermond.

De Raburp pakt dan een takje
en gaat zitten op zijn kont,
en hij schetst op zijn gemakje
in het zand een plattegrond.

Alle haltes, alle lijnen
van de trein, de tram, de pont
ziet de Grumpel daar verschijnen
en hij kijkt met open mond.

‘Doei!’ hoort hij dan plots. ‘De groeten,
enig om je te ontmoeten,
veel plezier straks in Roermond
met je broer en zeven zussen!’

Zoekend blikt hij in het rond:
de Raburp is ervantussen,
maakte vlot zich uit de voeten
naar een verre horizont.

‘Hela, je vergeet de bussen…’
zegt de Grumpel met een frons
maar er reageert geen hond.

Dus hij antwoordt binnensmonds:
‘Nou, tot over achttien dagen!’
en hij gaat weer ondergronds.

(Soms voelt hij de boel bewegen
als er boven hem een lege
bus voorbijscheurt naar Roermond.)

© Judy Elfferich

(illustratie: © Jaap van den Born)

De Snavelstaart

Yin-yang-vogelkooi

Lang had de Snavelstaart gewacht
en stil had hij gezwegen;
aan sproeten had hij nooit gedacht,
toch heeft hij ze gekregen.

Wat is de Zin? zo peinsde hij.
Waarom kreeg ik geen voeten
of vleugels, maar voorzag men mij
van honderddertien sproeten?

Hij pakte puur op zijn gevoel
zijn staartpunt in zijn snavel
en trok zijn hele buitenboel
naar binnen door zijn navel –

En floep! hij was een Suizebol,
vanbuiten vol, vanbinnen dol,
die door de ruimte tolde

tot hij in ’t sterrenstelsel Froen
getroffen door een zwerkbalschoen
een muizenhol in rolde.

Een eeuwigheid of tig miljard
gebeurde in dat zwarte gat
geen sikkepit, geen snars, geen spat.

Er moet Iets zijn dat mij dit flikt,
dacht hij. Het is Al voorbeschikt.
Er moet Iets…
(enz.) – totdat:


Zwoesj! Froen vloog in een sterrenstorm
een bocht uit van de tijd;
prompt sprong hij in zijn oude vorm
van voor de sproetigheid.

(Een achterlijf van enkel staart,
als voorlijf slechts een snavel
en met daartussen uiteraard
die peilloos diepe navel.)

De Snavelstaart is terug bij af:
hij weet van niks en zwijgt.
Vandaag of morgen staat hij paf,
als hij weer sproeten krijgt.

© Judy Elfferich

De Relikwibus

Paul Klee, Der Goldfisch (fragment)
De Relikwibus heeft een steen,
die ligt op zijn balkon.
Daar hinkelt hij driemaal omheen
bij ’t opgaan van de zon.
God weet wat hem te wachten staat
als hij dat een keer overslaat.

De Relikwibus eet beschuit
met muisjes als ontbijt.
Per kleur telt hij die muisjes uit
voor alle zekerheid.
Een uitgebalanceerd dieet
voorkomt onnoemelijk veel leed.

De Relikwibus heeft een vis
die rondzwemt in een kom.
Zolang de toestand gunstig is
maakt die zijn bocht linksom.
Maar draait hij naar de andere kant,
dan is er vast iets aan de hand.

De Relikwibus draagt een pet
die ooit de Sint hem gaf.
Hij heeft hem destijds opgezet
en zet hem nooit meer af.
Waait hij ooit weg of raakt hij zoek,
dan komt dat in het Grote Boek.

De Relikwibus heeft een baard
(naar voorbeeld van zijn pa)
waarin hij spiekbriefjes bewaart
met Dag en O en Tja.
Die antwoorden zijn altijd goed
als hij op straat iemand ontmoet.

Eens moet de Relikwibus gaan,
dan hinkelt hij naar zee
en bij het schijnsel van de maan
breekt hij zijn steen in twee.
Hij eet nog eenmaal een beschuit
en wuift zijn vis het zeegat uit.

Zijn pet heeft hij voor ’t laatst bewaard.
Hij mikt, hij slikt en staart hem na.
Hij frummelt even aan zijn baard
en zegt dan: ‘Tja.’

© Judy Elfferich

De Haper

Sleepless, © James Dankert, all rights reserved
    Sleepless | © James Dankert

De Haper kan niet slapen,
zijn denkschuif wil niet dicht.
Zijn vliegwiel blijft maar draaien,
wat o zo lastig ligt.

‘O was ik maar een kater,
een doedier zonder dacht!
Dan volgde ik mijn snorren
en joeg de hele nacht.’

De Haper ligt te malen,
wak staart hij in het donk.
Er kruipen kriebelmieren
door zijn gedachtenkronk.

‘O was ik maar een gaper
die omviel van de slaap!
Helaas, ik ben een Haper,
ik haap.’

© Judy Elfferich

Leo Vroman ✝

.
DE TIJGER EN DE HARINGSLA

Een tijger zat een haringsla
met boze plannen achterna.

De haringsla was vlug ter been:
het oerwoud stormde door haar heen.

Zij scheerde laag langs gras en paden:
zij was een van de snelste sladen.

Augurkjeskruim en zachte graten
moest zij van het rennen laten.

Het engst waren de stukjes biet.
De tijger snoof maar wou die niet.

Wel verloor hij zo zijn tijd.
Hij was haar dan ook spoedig kwijt.

Wat nog van haar over was
zat uit te puffen in het gras.

Alleen haar haring bleef bestaan.
Maar daar komt alles toch op aan?

Moraal:
Gevaar en vreselijke ervaring
verheffen ons tot pure haring.

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: Fabels (1962)

De Pierewieps

De Pierewieps
Als je ooit een zwierig tiep ziet
felgekleurd als Engels drop
met een paarse duikbril op
en (die kun je echt niet missen)
een propeller op zijn kop,
moet je je al zwaar vergissen
of het is de Pierewieps.

Sluip erheen voordat hij wegvliegt,
trek zijn aandacht door te sissen:
‘Pierewieps! Pierewieps!’

Na een rondje pierewaaien
klapt hij zijn propeller in.
Lok hem met een suikerboontje,
dan mag je zijn dropneus aaien
en zijn geelgestreepte kin.

Als hij ziet dat jij het bent
is hij in zijn pierement,
kruipt ie in je telefoontje.
Kijk hoe hij over je scherm schiet
met zijn paarse duikbril op.

Hoor, hij zingt zijn pierewiepslied,
telkens weer datzelfde toontje:
‘♫ Pierewieps! ♫ Pierewieps!’

© Judy Elfferich