De Katzenjammer

Richard Lydekker, Lynx (1896)
Daar gaat de Katzenjammer.
Hij voelt zich rottig.

Ooit was meneer de bink:
bloedgeil, bloedlink,
met alle stoere katers
de beste maatjes
en van de zwoelste poezen
de lievelynx.

Maar waar zijn nou zijn praatjes?
Waar is die ruige patser
die geurig pist
die vurig krijst
die lenig springt?

Daar gaat de Katzenjammer
die nooit meer spint.

De pluimen op zijn oren
hebben hun schwung verloren,
zijn poten worden strammer,
zijn vacht is vaal en mottig.
Hoor hoe hij treurig zingt:

‘Het mist in mij, het mist in mij,
het miezert in mijn maag.
Het schemert voor mijn ogen,
mijn hart klopt ijzig traag.
Ik voel me flauw, mijn bloed is lauw
omdat het niet meer gist in mij,
omdat ik niet meer jaag.’

Nooit krijgt hij meer een kopje,
de allerkrolste poezen
bezien hem onbewogen.
De katers smoezen spottend:

‘Daar gaat de Katzenjammer,
die zonderlynx.’

© Judy Elfferich

.
(Zesde prijs Willem Wilmink Dichtwedstrijd 2013.
Het mist in mij was de verplichte regel, gekozen door Ted van Lieshout.)

De Snotterwokkel

.
Wee de arme Snotterwokkel
die het niet gesnopen heeft.
(Hij kan het aan de Frokkel vragen
maar dat vindt hij onbeleefd.)

‘Waarom ben ik ooit geboren?
Wie verklutste toch mijn struif?
Waarom heb ik sprokkeloren
en een krakel in mijn kuif?

Waarom is er herfst, en haring?
Waarom lust ik geen hachee?
En waar vind ik een verklaring
voor het golven van de zee?

Waarom moet het altijd zachter,
waarom roept men dat ik stoor?
Waarom kom ik nergens achter?
Waarom kom ik nergens voor?

Waarom moet ik altijd huilen
als ik een komkommer zie?
Waarom kan ik nergens schuilen
voor het Grote Potverdrie?

Alles is zo ongewokkeld,
alles is zo ongewis
als je schoenen zijn versokkeld
en je vuist een vlakgom is.’

Ach, die arme Snotterwokkel.
Hij snuit zijn snufferd in zijn staart
en gumt zichzelf volledig van de kaart.

(Of dat nou echt nodig was?
Ik kan het aan de Frokkel vragen
maar dat lijkt me ongepast.)

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht staat in Er zit een feest in mij,
Querido’s Poëziespektakel 5.

De Schreupel & de Friep

.
Op een woensdag in de winter
zei de Schreupel tot de Friep:
‘Lieve help, er zit een splinter
in het knargje van mijn kniep!’

Fluitend greep de Friep een leupel
(want hij was een handig tiep)
maar de Schreupel kon geen bloed zien
dus die deed alsof hij sliep.

‘Zet je schrap! Nu even bukken…
Eén twee drie!’ – en met een zwiep
vloog de splinter uit het knargje,
in het neusgat van de Friep.

‘Au! Hatsjiep! Hatsjoep! Hatsjiep!’
En de Schreupel kreeg de leupel
in vijf stukken op zijn kniep
waardoor hij die hele winter kreupel liep.

© Judy Elfferich

.
Er zit een feest in mij
Dit versje staat in Er zit een feest in mij,
Querido’s Poëziespektakel 5.
Een feestelijke bundel met werk van 85 dichters
en 25 illustratoren, o.a. over ‘Hallo wereld!’,
het thema van de Kinderboekenweek 2012.
Samenstelling: Ted van Lieshout.

.

‘Hallo-wereld!’-workshops

‘Hallo wereld!’-workshops

.
Nieuwe workshops die aansluiten bij het thema van de komende Kinderboekenweek:

KRADOKELTAAL  voor groep 5 t/m 8 PO
We lezen een of meer teksten in Kradokeltaal.
Eens kijken of het lukt om de sleutel daarvan te ontdekken!
De kinderen proberen ook een stukje te schrijven in het Kradooks.
En misschien kunnen we met z’n allen nog een andere taal verzinnen?

WEZENS UIT HET BINNENSTEBUITENLAND  voor groep 5 t/m 8 PO
De Snotterwokkel, de Schreupel, de Friep, de Vlabber, de Vlaar…
Wat zijn dat voor wezens? Hoe zien ze eruit? Wat eten ze?
De kinderen worden uitgedaagd om zelf ook vreemde wezens te bedenken
en die te tekenen of beschrijven.

SPACE MAIL  voor groep 7, 8 PO  &  klas 1, 2 VO
‘Hé jij daar aan de overkant!’
Wat zou jij willen vertellen of vragen aan iemand op een verre ster?
Hoe maak je duidelijk wie wij mensen zijn en hoe het hier op aarde is?
We schrijven berichten aan bewoners van een andere planeet.

.

.

.
In deze workshops maak ik gebruik van mijn versjes in
Querido’s Poëziespektakel 5: Er zit een feest in mij!
(verschijnt augustus 2012).
 

 

 

Meer schrijfworkshops
Stichting Schrijvers School Samenleving

De Schrikkelspork

.
Kijk, daar komt de Schrikkelspork.
(Achterneefje van de Uffel,
weggemoffeld bastaardbroertje
van de welbekende Knork.)

Veertienhonderdzestig dagen
hoefde je hem niks te vragen,
veertienhonderdzestig nachten
sliep hij diep, zonder gedachten.

Doch welingelichte kringen
melden dat de Haas gaat springen,
dus ontwaakt de Schrikkelspork
met een kriegelige snork.

(Liever was hij blijven knorren,
want hij sukkelt zo met jicht
en het jeukt weer schrikkelbarend
in zijn ene tijdsgewricht.)

Oei, hij hinkelt en hij hompelt
met zijn manke achterbeen;
kijk toch hoe hij aldoor struikelt
over zijn reserveteen…

Snapt hij wat er aan de hand is?
Is hij nog op tijd erbij?
Horen we de Haas al hijgen?
Strakke eindspurt – Ja! Buut vrij!

‘Joechei!’ jubelt de Uffel,
geëchood door de Knork.
‘Die hebben we weer binnen
door ónze Schrikkelspork!’

Maar hijzelf duikt in zijn duffel,
toffelt zwijgend naar zijn hol.
Eer de Maartse Haas geland is
koffert hij zijn knikkebol.

© Judy Elfferich