Later

later

We moesten een zinnetje ontleden:
Komende zomer gaan we kamperen
of Morgen komt Leo logeren, zoiets.

Ik vond dat dat geen heden was
dus ik gokte op iets nieuws:
toekomstige tijd.

‘Mis wijsneus’, zei de meester.
‘Toekomstige tijd bestaat niet, meid.
Hoe dat soort dingen heten
kun jij nog helemaal niet weten.
Dat krijg je later pas.’

© Judy Elfferich

Sst…

roze ei
In het heimelaatje
slaapt een roze ei.
Daarin groeit een kuiken
dat weet van jou & mij.

Achter de verklapdeur
loert een paarse papegaai,
pleister om z’n snavel.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 15, ‘De toekomst is nu’.

 

 

De Waarnaartoekan

Waarnaartoekan - foto: giggel @ Wikimedia Commons, CC by (bewerkt door JudyElf)

Als hij maar éven zijn vleugels spreidt
roepen de andere vogels geheid:
‘Hé, ga jij een reis beginnen?
Waarnaartoe dan?’

Tjee, denkt hij, ik heb geen idee.
Moet ik dat vooraf verzinnen?
Nee, er schiet me niks te binnen.
Man, daar word je moe van…

Kijk, hij zit daar nog altijd,
de Waarnaartoekan.

© Judy Elfferich

Ben jij zelf iets wat je niet snapt?

Lichtgroene robot - fragmented @ Flickr, CC by-nc-nd

JUDY> hebben robots geld of eten nodig?
BLABLA> nee. dragen robots kleren?
JUDY> nee. hebben robots een baan?
BLABLA> mensen hebben slaap nodig, robots niet.
JUDY> nee. moeten robots naar school?

BLABLA> robots slapen toch heel duidelijk…
JUDY> hebben robots ogen?
BLABLA> kunnen robots eigenlijk…?
JUDY> kunnen robots lopen?
BLABLA> wij kunnen toch letters tikken?
JUDY> robots kunnen letters tikken. maar kunnen ze ook lezen?
BLABLA> ze zeggen: dat kan niet.
JUDY> nee?

BLABLA> de neefjes lusten geen groene haring.
JUDY> houden robots van haring?
BLABLA> nee. ik ook niet.
JUDY> jij bent zelf een robot, dus jij kunt het weten.

BLABLA> houden robots van mij?
JUDY> houden robots van elkaar?
BLABLA> ben jij zelf iets wat je niet snapt?
JUDY> ik ben een mens, dus eh…
BLABLA> als je dat maar weet.

(BlaBla is mijn chatbot.)

Meer dialogen met chatterbots

Gelukskever

scarabee

Onder in mijn kopje thee
vond ik bij het ontbijt
een kever, groen met goud:
een echte scarabee,
Egyptisch en oeroud.

Een soort museumstuk.
Op zijn buik staan allemaal
hiërogliefen, tovertaal
uit Toetankhamons tijd.
Ik dacht: die brengt geluk.

Dus naar school nam ik hem mee
aan een ketting om mijn nek.
Nou hadden we vandaag
toevallig bij geschiedenis
een Knappe Koppen Kwis.

Meteen al bij de eerste vraag
kroop die kever naar mijn oor
en zei het goede antwoord voor.
En zo ging het dus door…
Ik wil hem nooit meer kwijt.

Bij elke toets, bij elk dictee
vertrouw ik op mijn scarabee.
Het is een echte crack.
(En ooit raak ik gewend
aan zijn Egyptische accent.)

© Judy Elfferich

Gerijmel van een ouder iemand

W.H. Auden in de jaren zestig
voor Robert Lederer

Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.

De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.

Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.

De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.

Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.

Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.

’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.

Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.

Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.

Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.

Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.

De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.

Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.

En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.

W.H. Auden (1907-1973) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: Doggerel by a senior citizen
Over W.H. Auden