Apenlied

.
Apenlied, illustratie © Jesse Strikwerda

Hoor, jungle, hoor!
Hier krijst het Apenkoor,
de ruige Rimboeband
die barst van het talent.

Wij zijn het allerbest
in takkeherrie maken,
getreiter en gepest
met noten die je raken.

Gekruip, gesluip, gefluister,
dat maakt ons apeziek.
Kom jungledieren, luister!
We snakken naar publiek.

We drammen en drummen,
we brullen en brallen.
We gymmen en klimmen,
nooit zullen we vallen.

Wij zijn de superknappen,
een wonder der natuur.
En met de beste grappen:
je schrikt je ’t apezuur.

Beer, wolven en panter
zijn allemaal watjes
maar wij zijn wel anders.
Nee, wij zijn geen schatjes.

We komen Mowgli roven,
we nemen Mowgli mee
en sleuren hem naar boven.
Een apeslim idee!

Hij moet ons even leren
om boomhutten te bouwen.
(Wij houden van proberen
maar niet zo van onthouden.)

Dan komt hij bij ons wonen
en in zo’n boomhut slapen.
Dan gaan we Mowgli kronen
tot koning van de apen,

al heeft hij maar twee handen
en elk van ons wel vier.
Die sukkels roepen schande
maar dat boeit ons geen zier.

We springen en we swingen
en spelen luchtgitaar;
hier in de hoogste kringen
dreigt bijna nooit gevaar.

Toch – elk van ons is bang
dat langzaam van beneden
ooit negen meter slang
een boom in komt gegleden.

Dus hangen alle apen
bij plotseling gesis
meteen op apegapen:
als Kaa komt, is het mis.

Een keer zal hij ons krijgen…
zijn trage hongerdans
brengt iedereen tot zwijgen,
brengt iedereen in trance.

Hoor, jungle, hoor!
Dan wordt het Apenkoor
doodkalm, zonder poeha
gesmoord door Kaa.

© Judy Elfferich

.
Jungle-BoekieBoekie

 

Dit gedicht staat in Jungle Boekie­Boekie (jaarboek 2017).

 

 

De Lorelei

Lorelei, Helen Stratton
Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

naar Heinrich Heine (1797-1856) | © Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

DIE LORELEY

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.

.

En wat er later van haar is geworden?
Dat onthult C. Buddingh’: De turelurelei.

♫ Liefdessmart & levensleed ♫

.
Gouden tijden beleven dankzij zwarte bladzijden?
Schrijf en zing je eigen smartlap of levenslied!
Huilend ventje Bragolin
Deze zijn gemaakt door cursisten Creatief schrijven in Breda:

Je liet me toen gaan, het stond in de sterren
Mijn toekomst lag daar, daar moest ik zijn…

Lees verder

Diederik Deterding

Verjaarsvisite - foto: indigo_mint @ Flickr, CC by-sa (bewerkt door JudyElf)

Als Diederik Deterding jarig was,
elk jaar op achttien maart,
dan lag er in zijn brievenbus
maar één verjaardagskaart.
Op de envelop stond: Ik
en op de kaart: Van Diederik.

Hij strikte zijn verjaardagsdas
en borstelde zijn baard.
Hij bakte eieren met spek
en een verjaardagstaart.
Met slagroom spoot hij daarop: Ik.
Hiep Hiep Hoera Voor Diederik.

Hij zong Lang Zal Ik Leven
en at de roomtaart op.
Hij stopte de verjaardagskaart
weer in de envelop.
Ziezo, die lag alvast weer klaar
voor zijn verjaardag volgend jaar.

Hij pakte zijn cadeautje uit:
een gouden zegelring.
Hij streek het pakpapier mooi glad
en pakte hem weer in.
Dan borg hij het verjaarscadeau
weer in de la van zijn bureau.

Toen kwam er een verjaardag
dat alles anders ging.
Er kwam een grote stapel post
voor Diederik Deterding,
en bloemen en een fles cognac
en dertien dozen vol gebak.

Er belden negen nichten
en zeven neven op.
Zo stond heel huize Deterding
volledig op z’n kop.
‘Poe poe,’ zei Diederik, ‘wel wel wel.’
Op dat moment ging wéér de bel.

Zijn veertig ooms en tantes
die stonden voor de deur,
zijn buren, zijn collega’s
en ook zijn directeur.
Die kwamen allemaal op bezoek
met fuchsia’s en boterkoek.

Hij ging maar even zitten,
hij stond volkomen paf.
Maar daar kwam tante Engelien
met tulpen op hem af
en met margrieten tante Els.
Door iedereen werd hij omhelsd.

Na ’t derde kopje koffie
verklaarde ome Daan:
‘Nu komt er een verrassing
dus gaan we even staan.’
En ze begonnen aan een lied,
zó vals – nee, dat geloof je niet.

Kijk, dát was voor de jarige
nou net even te veel.
Hij hield het acht coupletten uit,
toen schraapte hij zijn keel.
‘Hou op!’ riep Diederik Deterding.
‘Ik vind dat ik zelf veel beter zing.’

Wat waren ze beledigd,
wat waren ze gegriefd!
Opeens was Diederik Deterding
totaal niet meer geliefd.
In amper een kwartiertje tijd
was hij van zijn bezoek bevrijd.

Hij zette alle kopjes
en glazen in het sop.
Hij floot Lang Zal Ik Leven
en at de restjes op.
‘Hè hè’, zei Diederik Deterding.
‘Dat is een hele verbetering.’

© Judy Elfferich