De Sloddervis

Sloddervis

‘Wat zou het’, zei de Sloddervis,
‘dat ik geen slimmerd ben?
Ik weet wat slijk, wat modder is
en verder niks. Nou en?

Die evolutie, leuk idee
maar waar moet het naartoe?
Nee dank je wel, ik doe niet mee,
voor mij niet dat gedoe.

Waar alles mee begonnen is:
een slijmig klontje beest –
veel slomer dan een Sloddervis
kan dat nooit zijn geweest.

Ik hoef geen vleugels, klauwen,
geen slurf, gewei of bult.
Ik voel niks voor miauwen
en ben geen tiep dat brult.

Ik denk dat ik mijn modder mis
als paard of papegaai.
Dus blijf ik lekker Sloddervis,
oersimpel en oersaai.

Sterf ik straks uit? Mij best, oké.
Dan word ik nooit reptiel
of eekhoorn, vos of chimpansee.
Dan word ik dus fossiel.

Zo’n wereld-na-de-Sloddervis
is eenmaal ook voorbij.
Gaat die naar de verdommenis,
dan mooi wel zonder mij.

De oerstaat is mijn element,
mijn lat ligt niet zo hoog.
Word jij maar stinkdier of serpent
of paleontoloog.’

© Judy Elfferich

♫ Alles is déjà vu

Blaadjes - foto: nofrills @ Flickr, CC by-nc (bewerkt door JudyElf)

Soms heb ik het gevoel dat nergens ooit iets nieuws gebeurt
Als de najaarsstormen razen
En aan één stuk door die zeurderige blaadjesblazers blazen

Maar net dat ene liedje dat iemand ergens zingt
Als een echo die weerklinkt
Klik, de tijd verspringt en een film begint te lopen

De deur zwaait open en daar sta jij
Zo lang geleden maar zo nabij
Eén moment zie ik je weer voor de allerlaatste keer
En ik weet zeker: de wereld bestaat niet
Alleen deze droom die ik droom
Nu is niet hier en hier is niet nu
Alles is déjà vu

Soms krijg ik het gevoel dat alles steeds opnieuw begint
Als de grasmaaiers gaan maaien
En er op de lentewind bekende geuren binnenwaaien

Dan: midden in de menigte een heel vertrouwd gezicht
Door een volgspot uitgelicht
Ik doe mijn ogen dicht en een film begint te lopen

De deur zwaait open en daar sta jij
Zo lang geleden maar zo nabij
Eén moment zie ik je weer voor de allereerste keer
En ik weet zeker: de wereld bestaat niet
Alleen deze droom die ik droom
Nu is niet hier en hier is niet nu
Alles is déjà vu

Mijn hele leven draait om dat moment
Dat jij het bent die mij herkent
Dat jij het bent die bij me bent
Die klik, dat ogenblik

De deur wijd open en daar sta jij
Mijn hele leven blijft dat me bij
Bloesemblaadjes in je haar, vlokken sneeuw van vorig jaar
En ik weet zeker: de wereld bestaat niet
Alleen deze droom die ik droom
Nu is niet hier en hier is niet nu
Alles is déjà vu
Déjà vu

© Judy Elfferich

.
Een iets bekorte versie heb ik van onder een witte paraplu-met-lichtje voorgelezen aan bezoekers van ‘Herinnering Verlicht’, de jaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Ze kwamen luisteren in twee­tallen, in groepjes of alleen.
Dit keer deden er meer dan dertig Witte Dichters* mee. Onder zo’n paraplu ont­spinnen zich soms bijzondere gesprekken.

Herinnering Verlicht 2015
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Megaloceros giganteus

Reuzenhert, prehistorische kunst in de grot van Lascaux

Lang lag het begraven
in zeeëndiep zand,
het dier dat verdween.
Flinters tand, splinters been.

Tijden vervlogen en
duinen verschoven
en toen kwamen wij.

We baggerden havens,
we zeefden de zee:
oud zand werd nieuw land
waar kersverse vogels,
oerkippen van ijzer,
nu druk staan te pikken.

Ik klom op het duin
voor een blik in de verte
en doezelde weg
met zout op mijn lippen,
mijn zakken vol schelpen.

Zo vond mij de Zandwacht,
boog over me heen, wreef
de slaap uit mijn ogen –

Toen dreunde de grond
vanuit duistere lagen
en over het zeestrand
gleed dwars door de tijd
de schaduw voorbij
van dat grootse gewei.

Het reuzenhert sprong,
oud was Aarde en jong.

© Judy Elfferich

BoekieBoekie 98
Dit gedicht staat in BoekieBoekie 98: ‘Ver weg, dichtbij’. Ik schreef het na een bezoek aan De Zandwacht, een groot kunstwerk op de Tweede Maasvlakte. In het opgespoten Noordzee­zand daar worden veel fossielen uit het Pleistoceen gevonden, o.a. van mammoeten, reuzen­herten en hyena’s. In BoekieBoekie 98 staan nog meer Zandwacht­gedichten, ook van kinderen.

De Zandwacht
Oervondstchecker Tweede Maasvlakte

De Snavelstaart

Yin-yang-vogelkooi

Lang had de Snavelstaart gewacht
en stil had hij gezwegen;
aan sproeten had hij nooit gedacht,
toch heeft hij ze gekregen.

Wat is de Zin? zo peinsde hij.
Waarom kreeg ik geen voeten
of vleugels, maar voorzag men mij
van honderddertien sproeten?

Hij pakte puur op zijn gevoel
zijn staartpunt in zijn snavel
en trok zijn hele buitenboel
naar binnen door zijn navel –

En floep! hij was een Suizebol,
vanbuiten vol, vanbinnen dol,
die door de ruimte tolde

tot hij in ’t sterrenstelsel Froen
getroffen door een zwerkbalschoen
een muizenhol in rolde.

Een eeuwigheid of tig miljard
gebeurde in dat zwarte gat
geen sikkepit, geen snars, geen spat.

Er moet Iets zijn dat mij dit flikt,
dacht hij. Het is Al voorbeschikt.
Er moet Iets…
(enz.) – totdat:


Zwoesj! Froen vloog in een sterrenstorm
een bocht uit van de tijd;
prompt sprong hij in zijn oude vorm
van voor de sproetigheid.

(Een achterlijf van enkel staart,
als voorlijf slechts een snavel
en met daartussen uiteraard
die peilloos diepe navel.)

De Snavelstaart is terug bij af:
hij weet van niks en zwijgt.
Vandaag of morgen staat hij paf,
als hij weer sproeten krijgt.

© Judy Elfferich

De zwaluw

Zwaluwsilhouet - foto: Wikimedia Commons (José Lévy, CC by-sa)
Op de brug, tussen spiegelend water
en zonsondergang in, stonden wij.
‘Vergeet je die zwaluw ooit, later?’
vroeg ik – ‘Kijk, daar scheert hij voorbij.’
‘Nee, nooit!’ is wat jij ernstig zei.

Wat een juichende vlucht nam het leven,
wat een kippenvel plots, wat een zucht!
Tot we sterven, tot morgen, voor eeuwig
die avond, wij twee op de brug.

Vladimir Nabokov (1899 – 1977) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Dit was het lievelingsgedicht van Nabokov.
De oorspronkelijke versie schreef hij in het Russisch: ‘Ласточка’, ‘De zwaluw’. Die staat in het eerste hoofd­stuk van zijn roman De gave.
Later maakte hij ook een Engelse versie:
.

THE OLD BRIDGE

One night between sunset and river
On the old bridge we stood, you and I.
Will you ever forget it, I queried,
– That particular swift that went by?
And you answered, so earnestly: Never!

And what sobs made us suddenly shiver,
What a cry life emitted in flight!
Till we die, till tomorrow, for ever,
You and I on the old bridge one night.

 

Volgens de overlevering ontmoette Vladimir Nabokov zijn latere vrouw Vera op een lente­avond in Berlijn, na een gemaskerd bal voor Russische emigrés.
Op een brug over een kanaal met kastanjes erlangs reciteerde zij een van zijn eigen gedichten voor hem, met haar zwart­satijnen masker nog op.

Gerrit Krol ✝

Ursa Major van buitenaf - Johannes Hevelius, 17e eeuw
HEMELVAART

De aarde is verdwenen,
wij kijken niet meer om.
Het vroeger is nu later,
De Grote Beer staat andersom.

Uit: Polaroid. Gedichten 1955-1976

.
Wat is mooi?  Zoals een sneeuwkristal ontstaat, zo kunnen er ook beelden in ons hoofd ontstaan – eenvoudig omdat de onderdelen ervan in elkaar passen, een andere oorzaak heeft het niet. Wat past is goed, want dat blijft zitten en wat niet past gaat voorbij. Goed staat dus tegenover iets dat er niet is. Alles is goed, of zo goed mogelijk.
    Als iets in elkaar past, dan is dat meestal nuttig. Je gebruikt iets dat in elkaar past meestal om daarna andere dingen in elkaar te laten passen: daardoor wordt het eerste onmisbaar ten opzichte van het tweede, dat eerste noemen we dan nuttig.
    Dit is wat er in ons hoofd gebeurt, als we om ons heen kijken of nadenken over iets, totdat er iets in elkaar past – ongeveer zoals de onderdelen van een kristal in elkaar passen. Intussen is het niet zo dat in ons hoofd, hoe helder het ook is, dingen als kristallen bestaan. Veel eerder lijkt het op bijvoorbeeld overgekookte melk, een harde bruine korst. Ook die korst is iets dat in elkaar past. Anders was hij niet ontstaan.
    Mooi is iets dat in elkaar past en dat niet nuttig is.

Uit: APPI: Automated Poetry by Pointed Information. Poëzie met een computer (1971)

Gerrit Krol (1934-2013)

Het Vledeweekdier

Vledeweekdier

De Woens zei: ‘Beste vrienden,
ik wil weer eens naar zee.
Wat varen en wat vissen…
Wie gaat er met me mee?’

‘Potdomme!’ zei de Zater.
‘Ik wilde dat ik kon
maar ik vertrek vandaag voor
een reisje naar de zon.’

De Dins zuchtte beteuterd:
‘Helaas, ik kan niet gaan.
Mijn hengel is sinds gister
volledig naar de maan.’

‘Naar zee toe?’ zei de Donder.
‘Dat is echt iets voor mij.
Het komt goed uit, want morgen
heb ik toevallig vrij.’

De Woens pakte zijn schepnet,
de Donder zijn harpoen;
ze regelden een bootje
en voeren uit. Maar toen –

Hap! zei het Vledeweekdier,
dat achterlijke beest.
Ze gingen kopje-onder
en waren er geweest.

© Judy Elfferich

Poëzie onder een witte paraplu

.
‘Mogen wij een gedicht horen?’
‘Natuurlijk. Kom maar onder de plu.’

Zo gaat dat bij Herinnering Verlicht, de jaarlijkse avondherdenking op begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Er waren 24 Witte Dichters*, te herkennen aan hun witte paraplu-met-lampje.

Ik stond bij een grote vijver waarop gedachtenislichtjes te water werden gelaten. Tijdens het voorlezen zag ik soms tranen in de ogen van de toehoorders springen; intussen drupte gloeiend kaarsvet op mijn hand.
Gedachtenislichtjes op de vijver - foto: © Judy Elfferich
Dit is het gedicht dat ik voorlas aan wie het wilde horen:

Die ster die daar hoog aan de hemel staat
en zacht mijn pad verlicht
doet me denken aan jou, aan jou, mijn lieveling,
je stralende gezicht.

Het licht van de sterren reist door de nacht
van onvoorstelbaar ver.
Jij woont in een andere tijd, mijn lieveling:
een uitgedoofde ster.

Een uur wordt een maand en een maand wordt een jaar,
mijn leven glijdt voorbij
maar als er een ster valt ben jij, mijn lieveling
weer even dicht bij mij.

© Judy Elfferich (vrij naar een Zweeds volksliedje)

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Orlando & Dorian

Ulric Collette, vrouw-man

Wie is dit?
Ik zou zeggen: Orlando.
(Romanfiguur van Virginia Woolf; switcht halverwege zijn bijna-eeuwige leven van geslacht.)

Ulric Collette, oud-jong

En hebben we hier misschien Dorian Gray?
(Romanfiguur van Oscar Wilde; besteedt het lichamelijk verval uit aan een geschilderd portret.)

De Canadese fotograaf Ulric Collette combineert foto’s van familieleden tot ‘genetische portretten’. De bovenste foto toont hemzelf en zijn even oude nicht Justine.

Portraits génétiques