Alsmaar

(de Piepzakblues)

nachtlamp

Als ik nou eerst maar
een beetje kon slapen
want morgen dan moet ik

Maar als er aldoor
en zou de wekker wel
stel dat de bus niet
en dat ik te laat

Maar als daar geen lift is
en hoe moet ik weten
waar of ik naartoe

Waar had ik dat briefje
want daar staat het op

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

En als ik moet wachten
kan ik dan zolang wel

Maar als ze vergeten
of als ik niet hoor

Of als ze weer zeggen
nee eerst formulieren
die dinges moet over
wat ik niet verstaan heb

Die andere pillen
m’n leesbril de zak van
m’n andere jas

Als maar niet die ene
die vorige keer zei

En dat alle anderen
dat die dan zo kijken

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Als ik nou morgen
als ik aan de beurt ben

Als het maar niet weer
zo vreselijk pijn doet
en als ik maar snap

Maar als het een man is
dan kan ik niet zeggen
dan ga ik niet vragen
dan hou ik m’n mond maar

En wat als het mis is
hoe moet het dan verder

Als ik ga janken
dan moet ik een zakdoek
de dinges de zak van
m’n andere jas

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Morgen dan moet ik
dus als ik nou eerst maar

© Judy Elfferich
.

Dit gedicht staat in Ziekelijk bang. Angst in fictie (symposiumbundel Literatuur & Geneeskunde, VUmc 2017).

De Haper

Sleepless, © James Dankert, all rights reserved
    Sleepless | © James Dankert

De Haper kan niet slapen,
zijn denkschuif wil niet dicht.
Zijn vliegwiel blijft maar draaien,
wat o zo lastig ligt.

‘O was ik maar een kater,
een doedier zonder dacht!
Dan volgde ik mijn snorren
en joeg de hele nacht.’

De Haper ligt te malen,
wak staart hij in het donk.
Er kruipen kriebelmieren
door zijn gedachtenkronk.

‘O was ik maar een gaper
die omviel van de slaap!
Helaas, ik ben een Haper,
ik haap.’

© Judy Elfferich

TE DROMMEL, kloeg de dominee

.
TE DROMMEL, kloeg de dominee, vannacht kon ik niet slapen!
Mij kwelden honderd muggen met demonisch luid gezoem.
De torenklok sloeg drie, sloeg vier – en ik, ik telde schapen.
Ik woelde en ik woelde en ik dacht aan J.C. Bloem…

Insomnia! De hele lange nacht bleef ik aan ’t tobben
over die ene regel, van Der Doodsklaroenen Stoot.
Ik kreeg opeens zo’n trek in een kroketje van Van Dobben.
Of twee kroketjes. Maar er was alleen maar suikerbrood.

O! antwoordden de dames Groen. En die Parijse wafels?
We vroegen ons al af waar die gebleven konden zijn…
Als wij niet kunnen slapen, repeteren we de tafels
van dertien en van zeventien, vanwege onze lijn.

We worden altijd zo nerveus van ’t tikken van de wekker;
daar zetten we dan meestal onze theemuts overheen.
Maar ja, dan hoor je hem weer níet. Dan slaap je ook niet lekker.
De Leegte! sprak de dominee. Luguber fenomeen!

Zeg, zei het schaap Veronica en keek in de beschuitbus,
dit ziet er óók luguber uit. En waaro is de zjem?
’t Is algemeen bekend dat ik geen krekkers en geen fruit lust!
verkondigde de dominee met overslaande stem.

Zo? zei de ene dame Groen. En vast ook geen sardines?
De andere dame Groen zei: En geen glaasje o de vie?
Ahum, zei ’t schaap Veronica. Die Belgische pralines,
die zijn ook op. En gisteren toen waren er nog drie.

De dominee werd langzaamaan zo rood als een pioen.
Eh… zei hij toen. Zal ík dan straks de boodschappen maar doen?

© Judy Elfferich

.
cover De Tweede Ronde, verraad-en-bedrognummer, herfst 2009

 

 

Dit vers staat in het Herfstnummer van
De Tweede Ronde (thema: verraad & bedrog).
 

 

 

Meer schaap-Veronica-verzen