Wilgenmagie

wilgenprieel - foto: Glamhag @ Flickr, CC by-nc-sa

Hang je zorgen aan de wilgen,
vlecht ze in de takken vast
met voor alle zekerheid
bovenop een dikke knoop.

Snij een wilgenhouten fluit.
Blaas je last en narigheid
een-twee-drie de wereld uit.

Ga op zoek naar wilgentenen,
lang en dun, een hele hoop.
Kies een plek en steek ze daar
in een cirkel in de grond.

Vlecht naar boven in het rond,
bind de punten bij elkaar.
Knip een deur en knip een raam.

Stap naar binnen. Bijna klaar…
Geef je hut van levend hout
een geheime tovernaam.

© Judy Elfferich

Spaarvarken

spaarvarken

Lang was ik de bewaarder
van mooie glimmermunten
uit verre vreemde landen.
Die kwamen uit de zakken
en koffer van mijn baas.

Een keer hielden zijn handen
me even op mijn kop,
ik zweefde door de lucht,
hij porde met iets puntigs
en ’t geld viel uit mijn rug.

Leeg werd ik meegenomen
naar Harry’s kringloopshop.
Naast een kapotte vaas
heb ik daar zacht staan grienen
en dikwijls diep gezucht.

Dat waren dieptepunten…
Toen kwam een hand me pakken.
Die klant kocht me gelijk!
Trots sta ik nu te kijk,
heel sjiek, in een vitrine.

Wie had dat kunnen dromen?
Ik glim van snoet tot staart,
blij met mijn nieuwe baas
die nergens geld bewaart
maar oude varkens spaart.

© Judy Elfferich

Eierdop

knijndop

Mijn moeder gooide nooit wat weg.
Ik weet wel hoe dat kwam:
door de brand van Rotterdam.

Op een mooie lentedag
(ze was toen bijna elf)
vielen bommen uit de lucht
en brandde heel de stad.
Net op tijd zijn ze gevlucht.

Iemand ergens ving ze op:
‘Kom maar bij bij ons logeren.’
Nadat de boel wat was geblust
ging mijn opa even terug,
kijken wat er over was.

Dat was niet veel.
Aan een randje van hun bad
dat uit de puinhoop stak
zag hij waar het moest zijn.
Hij vond mijn moeders eierdop.

Stel je voor: je huis, je straat,
dat dat opeens niet meer bestaat.
Geen kamer meer, geen kleren,
geen speelgoed en geen kam,
niks van jezelf.

Alleen een eierdop
in de vorm van een konijn.
Nog helemaal heel.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 11, ‘Bewaard’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 11, ‘Bewaard’.

 

 

De teen van Tinus

Een elfstedenballade

teen

Toen Tinus aan de tocht begon
was hij in prima vorm.
Hij schaatste, schaatste wat hij kon
door sneeuw en kou en storm.

Het ijs vol scheuren overal,
je reed je ijzers krom.
Voor Sneek al kwam zijn eerste val,
een arm ging uit de kom.

Aan stoppen dacht hij geen moment:
straks op de Bonkevaart
de eerste zijn (en dat als Drent!),
dat was hem alles waard.

Hij was wel wat beteuterd
toen hij zijn pakje brood
niet open kreeg gepeuterd,
zijn vingers leken dood.

Zijn tenen voelde hij niet meer.
Hij kreeg de hongerklop.
Hij viel nog minstens twintig keer.
Maar Tinus gaf niet op.

Na alles wat hij had doorstaan
werd hij niet nummer een.
(Reinier die kwam als eerste aan
met na hem Jan en Jeen.)

Zijn vingers en zijn oren
ontdooiden net op tijd.
Eén teen was zó bevroren,
die raakte Tinus kwijt.

Hij dacht: nu moet ik zonder
die teen door ’t leven gaan.
Maar wonder boven wonder,
hij groeide toch weer aan.

(De oude teen van Tinus
heeft nu een ereplaats
waar hij altijd te zien is:
’t museum van de schaats.)

© Judy Elfferich

Het Hindelooper Schaatsmuseum bewaart echt een stuk van Tinus Uddings in 1963 bevroren teen.

Over de Elfstedentocht van 1963
Fimpje: Tinus Udding vertelt over zijn avonturen

Red velvet blues

blues-mondharmonica

Wat vond ik in de keukenla?
Een oude mondharmonica
verpakt in rood fluweel.

Hij was van mijn oom Mario,
die zat in een beroemde band.
Hij had oranje haar
en overal tattoos.

Nog steeds is hij bekend
want soms klinkt uit de radio
ditzelfde instrument.

Dat ik zijn beste nummer
er nu heel vaak op speel
heeft Mario vast nooit verwacht.

Mijn zus wordt later drummer,
mijn broer wil een gitaar.
En dan naar een talentenjacht,
een impresario…

Ik oefen de Red velvet blues
en doe de mondharmonica
weer in haar rode hoes.

© Judy Elfferich

Misselijk

ABCHOCOLABC door JudyElf, CC by-nc-sa

Ik oefen de letters eenmaal per jaar.
Dan leg ik ze allemaal naast elkaar.

Chocola-ABC,
puur, melk en met noot.
Het zijn er een boel, zeg.
En ook wel groot.

Stap voor stap, hap voor hap,
zo gaat dat het best.
Ik begin bij de A.
En dan de rest.

Bij de O krijg ik last
van pijn in mijn maag.
Bij de W zegt mijn buik:
genoeg vandaag.

Nu nog drie: X, Y, Z.
Mijn tanden erin.
En dan dapper slikken,
met tegenzin.

Gelukkig, voorlopig is ’t nu weer klaar.
Ik oefen de letters eenmaal per jaar.

© Judy Elfferich

Prometheus

Prometheus, illustratie © Dilyara Samoylova
 © Dilyara Samoylova, nominatie stArt Award 2018

Wat ik jou wens, mijn kleine mens?
Je lijdt maar kou, eet alles rauw,
omdat god Zeus je ’t vuur niet gunt…

Ik steel het voor je, wat een stunt!
Met vonk en gloed in brein en bloed
verdwijnt de grens van wat je kunt.

© Judy Elfferich

.
BoekieBoekie ‘Griekse Helden’

 

Dit gedicht staat in BoekieBoekie ‘Griekse Helden’ (jaarboek 2018).

 

 

Vriendenboek

Best friends forever - foto: Eden, Janine and Jim @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

Anne-Fleur (die altijd zeurt)
heb ik, rats! eruit gescheurd.

Noor (ze trekken haar steeds voor),
Finn (van wie ik nooit eens win),
Saar (vindt altijd alles raar)…
Rats! Rats! Rats!

Joep (geeft niemand van z’n snoep),
Jet (speelt o zo vals trompet),
Daan (die kijkt me niet meer aan)…
Rats! Rats! Rats!

En Mats… eh, wie was ook weer Mats?
Rats!

Allemaal eruit gescheurd,
zó gebeurd.

Hm. Wel een dun boekje nou.
Als ik de rest eens dubbelvouw?

Nee, dat is niks. Ik moet op zoek
naar vrienden voor een ander boek.

© Judy Elfferich

Aan elkaar

krabbels, illustratie © Job van Gelder (fragment)
fragment illustratie DICHTER. | © Job van Gelder

Mijn zusje vraagt: ‘Hoe was het daar,
je allereerste dag op school?
En wat heb je geleerd?’

‘Nou, schrijven’, zeg ik. ‘Aan elkaar!
Zal ik het laten zien?’
Met lussen en met krullen
schrijf ik vijf blaadjes vol.

Ze zegt: ‘Niet waar, ik heb je door:
je hebt maar wat gezegd,
je kan het nog niet echt.’

Ik zeg van wel, ga supersnel
weer nieuwe blaadjes vullen,
ben al bij blaadje tien.

Ze trekt aan blaadje zeven
en roept: ‘Hou op nou, stop
en lees het aan me voor!’

Ik zeg: ‘Ahum, waar is mijn gum?
Er ging een lettertje verkeerd.
Eh, ik kan nog niet lezen, nee,
dat leren we pas op dag twee.’

Ze zegt: ‘Geef hier, al dat papier.
Ik lees het zelf wel even.’
En hopla, ze leest alles op
wat ik heb opgeschreven.

En het verhaal klopt helemaal,
zelfs met de blaadjes op hun kop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER.-special ‘Tem de tekens’

 

Dit gedicht staat in de DICHTER.-special ‘Tem de tekens’.