Luisteren of kijken

woordenvanger

Woorden vangen met mijn oren
gaat heel goed.

Fluisterwoorden, duisterwoorden,
lastige of lange zinnen:
vliegen vlot naar binnen.

Meteen ken ik ze uit mijn hoofd,
van achteren naar voren
zeg ik ze zó weer op.

Maar ze met mijn ogen vangen,
hoe dat moet?

Vette woorden, nette woorden,
duidelijk gedrukte zinnen:
niks mee te beginnen.

Mijn hersens lijken wel verdoofd,
ik oefen me te pletter
maar ’t wil niet in mijn kop.

De woorden blijven hangen
waar ik ze niet kan horen,
verstopt achter die letters.

Dus wie mij wil bereiken
die laat me luisteren,
niet kijken.

© Judy Elfferich

.
DICHTER.-special ‘Tem de tekens’

 

Dit gedicht staat in de DICHTER.-special ‘Tem de tekens’.

 

 

Samen op avontuur

.
Toen de vriendschap van Harry en mij net begon
was hij nog maar tien; later zouden we zien
wat hij allemaal kon.

Hermelien, Ron en hij
in de Zweinstein Express.
Bij Sneep in de les.
En ik ben daarbij.

En Tiuri? Die sloop zomaar weg in de nacht;
ik ging met hem mee, zonder enig idee
wat de toekomst ons bracht.

Trouwe Piak en hij
over bergkam en brug.
Op Ardanwens rug.
En ik ben daarbij.

Tiuri en Harry,
met hen aan je zij
durf je meer dan je dacht.

Moet je dwars door een muur
of op eng avontuur?
Dan helpen die twee.

© Judy Elfferich

.
Harry Potter deel 1, coverDe brief voor de koning, cover

Bij een Barbadiaanse baai

Hangmat

Bij een Barbadiaanse baai
staan twee Barbadiaanse bomen.
Aan die Barbadiaanse bomen
hangt een Barbadiaanse hangmat.
In die Barbadiaanse hangmat
drinkt een heer, zeer in zijn hum,
uit een Barbadiaanse beker
thee met Barbadiaanse rum.

(Als hij straks gaat pootjebaden
spoelt hij rustig en bedaard
alle rum die hij gemorst heeft
uit zijn Barbadiaanse baard.)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 8, ‘Het Wereldnummer’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 8, ‘het wereldnummer’.

 

 

Vandaar dus

dromedaris

Waarom ik kijk zoals ik kijk?
Dat zal ik je vertellen.

Ik ben de sjeik zijn beste beest,
zijn liefste dromedaris.
We dronken ooit samen
de melk van mijn moeder,
we raakten verbroederd.

Ik-weet-niet-hoeveel-duizend jaar
zijn mijn en zijn stam bij elkaar
en trokken karavanen
van hier naar daar naar hier.

De zware taaie oliegeur
die opsteeg uit het zand
werd lang door mensen nooit bespeurd;
dat was voor een fijnneuzig dier
wel raar dus.

Maar later kregen ze het door,
die olie moest naar boven
dus wordt er nu geboord, gebouwd
en glimt er glas en glanst er goud,
de sjeik scheurt in bolides rond
en ik ben overbodig.

Toch kan ik je voorspellen:
straks komt geen drup meer uit de grond
en is het klaar met het gepomp,
dan wordt de stad die hier verrees
door zand ondergestoven.

Dan heeft de sjeik mij nodig,
zijn beste dromedaris.

Waarom ik kijk zoals ik kijk?
Vandaar dus.

© Judy Elfferich

Middelpunt

Middelpunt van Europa
[klik op plaatje voor vergroting]

Plak de kaart
van Europa
op je dartbord,
gooi een pijltje
in de roos
en vertrek:

met het vliegtuig
en de bus
naar die plek
in dat bos
bij Vilnius,
waar je rent,

rondjes rond
dat monument,
om te zien
hoe ver je bent
van de steden
die je kent,

en om te zien
hoe ver je kwam:
het middelpunt
van Europa,
1371 kilometer
van Amsterdam.

© Judy Elfferich

De Wollefop

De Wollefop wist niet zo goed
wat hij van zichzelf moest maken.

Is dus zomaar wat gaan haken, babyblauw
breide hij er beetjes bij, knoopte eindjes aan elkaar,
punnikte een flinke staart.

Maar soms liet hij steken vallen, raadselblauw
raakte er een draadje los, of er kwam een mot voorbij
die een hap nam uit z’n vacht.

En een keer werd hij gewassen, zeeziekblauw
in het veel te hete sop… Toen wist hij het echt niet meer,
voelde zich een prullig vod.

Hingen ze hem kletsnat op, bibberblauw
met een knijper aan z’n oor. Is hij van de lijn gewaaid,
vloog over de hoogste daken

tot hij neerkwam voor mijn deur, wazigblauw
lag hij zielig in de prut. Dus maar zacht voor hem gezongen,
hem voorzichtig uitgewrongen.

Kijk, hij krijgt alweer wat kleur, knipoogblauw
glimt z’n opgelapte snuit. Alle rafels vastgenaaid,
vale plekken weggeaaid.

Vraagt vergeet-me-nietjes-blauw: ‘Blijven slapen?’
Eindelijk weet hij wat hij wou,
de Wollefop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 7, ‘Blauw’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 7, ‘Blauw’.

 

 

Zonder tekst

filmtekst

Ik zit in elke grote film,
krijg vele rollen toebedeeld.
Toch weet je vast niet wie ik ben
wanneer ik je passeer op straat,
toch ken je niet mijn naam

want jij bent vol van wat er speelt
tussen die twee. Lang na The End
trilt door in jou wat hen beweegt.
Je leent hun houding, hoort jezelf
soms denken met hun stem.

De scène van de eerste dans:
in hun voorbijgaan sta ik stil,
ik ben die schaduw bij de bar
die achter bij de jassen praat
met iemand buiten beeld.

De scène van de laatste kus:
in hun verstilling loop ik langs,
ik ben die schim op het perron
die instapt, iets aan iemand vraagt,
een plaats zoekt bij het raam.

In elke grote film zit ik
bij list en misverstand en lust
met glas of krant, met pet of bril,
met mijn gezicht dat jou niks zegt,
eensprakig aan de kant

maar daarmee maak ik het verschil.
Dat ik mijn woorden zo verspil,
in loze slokken me verslik,
aan lege koffers me vertil,
maakt jullie levens echt.

© Judy Elfferich

Gemaakt voor Eenspraak, een project van drie studenten aan de Willem de Kooning Academie.

Ophaalbrug

kaart van de drie Schieën (1512)
Overschie, Spangen, Delfshaven en Rotterdam in 1512

Over de Schie lig ik te dromen
over de Schie, totdat ik zie
dat ik moet opstaan voor een boot:
dan gaat het licht voor jou op rood.

Wielen die willen, voeten die moeten
maar die door mij tot stilstand komen
totdat ik na een minuut of drie
weer lig te dromen over de Schie.

© Judy Elfferich

Raadsels

grafsteen, detail
Ligt opa Lezer hier begraven?
Ja, dat moeten we geloven
want zijn naam staat op de steen.

Of is hij ergens anders heen,
met zijn Aaltje de Zanger
(die lag er al langer)
naar de eeuwigheid gevlogen?

Mijn opa stond vaak stil bij ’t raam
naar boven te staren. Dan zag hij vast háár
(hij pakte zijn zakdoek) en ook al die straten
die niet meer bestaan maar waarover ze steeds
op verjaardagen praatten. Mistroostig gezicht.

Die ene keer vroeg ik het: ‘Heeft u verdriet?’
‘Welnee meid, m’n neus jeukt. Ik kijk in de zon want
ik wacht op een nies.’

Hatsjoe! En toen: ‘Juud, jij houdt toch zo van raadsels?
Ik weet er nog eentje: Waar kan alles in?

Waar kan alles in?! – Echt, ik kon het niet raden,
ik peinsde me suf en deed ’s nachts geen oog dicht
tot hij me verklapte: ‘Het zijn je gedachten.’

Ja! Daarin past alles wat ik kan verzinnen,
probeer te begrijpen of niet wil vergeten.
Allicht horen ook alle raadsels daarbij
die Niek Lezer me opgaf,
die opa van mij.

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht heb ik gemaakt voor ‘Herinnering Verlicht’, de tweejaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Als een van de Witte Dichters* lees ik het daar voor aan bezoekers die op mijn witte-paraplu-met-lichtje afkomen.

Herinnering Verlicht 2017
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.