Verre landen

Jessie Willcox Smith, Foreign lands
Groot, die kersenboom, en dik.
Wie erin klom? Ja hoor, ik!
Mijn armen stevig om de stam,
ik keek zo ver als ik nooit kwam.

Ik zag de buurtuin van heel hoog,
een bloemenpracht kreeg ik in ’t oog.
En nog meer moois kwam voor de dag
dat ik niet kende of ooit zag.

Ik zag de lucht weerspiegeld in
rivierenblauwe kronkeling;
het stoffig stuiven, heen en weer,
van wegen met hun druk verkeer.

Als ik een hogere klimboom vond
zag ik nog verder in het rond,
tot daar waar de rivier volgroeid
in heel de zee vol schepen vloeit.

Tot waar de weg aan elke kant
nog doorloopt tot in sprookjesland,
waar elk op tijd aan tafel gaat
en al je speelgoed met je praat.

Robert Louis Stevenson (1850-1894) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

FOREIGN LANDS

Up into the cherry tree
Who should climb but little me?
I held the trunk with both my hands
And looked abroad on foreign lands.

I saw the next-door garden lie,
Adorned with flowers, before my eye,
And many pleasant places more
That I had never seen before.

I saw the dimpling river pass
And be the sky’s blue looking-glass;
The dusty roads go up and down
With people tramping in to town.

If I could find a higher tree
Farther and farther I should see,
To where the grown-up river slips
Into the sea among the ships,

To where the roads on either hand
Lead onward into fairy land,
Where all the children dine at five,
And all the playthings come alive.

Ecce puer

Born, died

Een kind komt voort
uit zwart weleer.
Droef, blij – verward
gaat mijn hart tekeer.

De levende ligt
er vredig bij.
Ontsluit zijn ogen
met medelij!

In jonge adem
op spiegelglas
geschiedt de wereld
die niet was.

Kind dat ik koester:
oud man die ik mis.
U, vader, verliet ik…
Vergiffenis!

James Joyce (1882-1941) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2017, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen E-N: klik.
Kleine Weense wals, mijn inzending S-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

.

Over Ecce puer

De krokodil

.
Krokedook

Geen ondier waar ik zo van ril
als Krokedook, de krokodil.
Op zaterdag stopt hij als snack
zes malse kinderen in zijn bek.
Een meid lust ie, een jongen ook;
graag drie van allebei voor Krook.
Hij pakt de mosterd (pittig spul)
en smeert een lik op elke knul.

Pikante mosterd past niet echt
bij meidenstaart en meidenvlecht.
Maar zalig smaken meiden wel
met toffee en met karamel.
De jongens scherp, de meiden zoet:
iets wat je zeker proeven moet.
Dat is wat Kroko ervan vindt –
en die eet dus al jaren kind.

Zo. Welterusten, uit dat licht.
Doe jij maar fijn je ogen dicht…
Sst. Luister eens en zet je schrap:
wat stommelt daarzo langs de trap?
Op slot die deur, pak m’n geweer!
Schiet op, hij gaat enorm tekeer!
Nee stop! Daar is ie! Opgepast!
Die glibberige groene bast!
Die grijns, die tanden wit en kil!
’t Is Krokedook, de krokodil!

Roald Dahl (1916-1990) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: klik.

In en om de wachttoren

(All along the watchtower)

Wassily Kandinsky, Twee ruiters voor een rode achtergrond

‘Er moet hier toch een uitweg zijn’, zegt de nar tegen de dief
‘Kan al die verwarring wat minder alsjeblief?
Koopman slempt mijn kelder leeg, bouwman rooit mijn land
Hoe je echte waarde weegt, breng je hun nooit aan het verstand’

‘Ach, maak je er maar niet druk om’, antwoordt de dief bedaard
‘Menigeen hier vindt het leven alleen als grap de moeite waard
Maar jij en ik zijn daarmee klaar, en ons lot is niet dit
Dus laten we reëel zijn nou, aan ’t einde van de rit’

In en om de wachttoren vorsten, steeds paraat
Het vrouwvolk loopt er af en aan, voetvolk komt en gaat
Buiten gromt een roofdier dat zich ginds verschuilt
Twee ruiters komen nader, de wind vlaagt aan en huilt

Bob Dylan | © vertaling: Judy Elfferich

Dit was de vertaalopgave voor scholieren bij Nederland Vertaalt 2017 (juryrapport: klik). Ik wil er misschien een keer een les aan wijden en heb daarom zelf alvast een poging gedaan.
Dylan speelt hier met perspectief. Heeft hij zich – behalve door o.a. Jesaja 21 – laten inspireren door M.C. Eschers litho Belvédère (klik)? Ook dit lied is een ‘onmogelijk bouwsel’, een binnenste­buiten­puzzel.

Over All along the watchtower
Over Belvédère

De Warbels

(The Jumblies)

The Jumblies, getekend door Edward Lear zelf

I
Ze gingen naar zee in een zeef, jawel,
in een zeef al naar de zee.
Hun vrienden vonden ’t ondoordacht
maar bij winters weer en bij windkracht acht
gingen zij in een zeef naar zee!
En toen de zeef aan ’t tollen sloeg
en iedereen riep: ‘Nu is ’t genoeg!’
riepen zij: ‘Goed, groot is hij niet,
maar dat maakt ons geen sikkepit uit, geen biet!
In een zeef gaan wij naar zee!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

II
Ze zeilden weg in een zeef, jawel,
in een zeef, heel enthousiast.
Door stormwinden voortgejaagd, mijl na mijl,
met enkel een grasgroene sjaal als zeil
en een pijp bij wijze van mast.
En iedereen zei, die hen zag gaan:
‘O hemeltjelief, ze gaan eraan!
Want de reis is lang en pikzwart is het zwerk,
zo’n zeefvaart is echt onbegonnen werk:
o hou je hart toch vast!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

III
Het water liep gauw erin, jawel,
het water liep gauw erin.
Dus ze vouwden roze vloeipapier
om hun voeten, keurig en zonder kier,
en dat speldden ze vast aan hun kin.
En ze sliepen ’s nachts in een pot van steen,
‘Wat slim hè?’ zeiden ze een voor een.
‘Hoe lang ook de reis en hoe zwart het zwerk,
dat de zeefvaart slecht afloopt dat lijkt ons sterk…

Lees verder

Edward Lear (1812-1888) | © vertaling: Judy Elfferich

De Liefdestuin

.
The Garden of Love, vormgegeven en geïllustreerd door William Blake zelf

Ik ging naar de Liefdestuin toe
en zag wat ik nooit had gezien:
dat waar ik ooit speelde in ’t gras
een kapel was gebouwd sedertdien.

En het hek eromheen was op slot
en ‘Gij zult niet’ stond boven de deur.
Dus ik keerde me weer naar de Tuin
vol bloemen zo heerlijk van geur.

En wat zag ik daar: een en al graf.
En bloemen? Nee, zwartrokken die
rond zerken brevierden en al mijn plezier en
verlangens verstikten met dorens die prikten.

William Blake (1757-1827) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

THE GARDEN OF LOVE

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And ‘Thou shalt not’ writ over the door;
So I turn’d to the Garden of Love,
That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves,
And tomb-stones where flowers should be:
And Priests in black gowns, were walking their rounds,
And binding with briars, my joys & desires.

Dus we gaan niet meer uit dwalen

Lord Byron op zijn sterfbed, door Joseph Odevaere

Dus we gaan niet meer uit dwalen
tot in de late nacht,
ook al blijft het hart aanhalig
en vertoont de maan haar lach.

Want het zwaard verslijt zijn schede
en de ziel verslijt de bast,
en het hart raakt moegestreden
en liefde zelf wordt last.

Ook al stemt de nacht aanhalig
en kraait veel te vroeg de haan,
we gaan toch niet meer uit dwalen
bij het licht van de maan.

Lord Byron (1788-1824) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

SO WE’LL GO NO MORE A-ROVING

So we’ll go no more a-roving
So late into the night,
Though the heart be still as loving
And the moon be still as bright.

For the sword outwears its sheath,
And the soul wears out the breast,
And the heart must pause to breathe,
And Love itself have rest.

Though the night was made for loving,
And the day returns too soon,
Yet we’ll go no more a-roving
By the light of the moon.

The Kraken

De Kraak, illustratie © Sebastiaan Van Doninck
They call me the Kraken
because I like cracking
the hulls of their ships
in my tentacles’ grip.

A monster of the deep
I drift into their stories
once a century, I think.

They shudder and scream
when we meet in their dreams.
I scare them half to death –
I can feel it in my ink.

Cradled softly by the pitch-black
water in my seabed home,
I’m hiding where they cannot go.

This is how it’s always been:
them, up high and dry,
me, asleep down in the deep.
I wouldn’t want it any other way.

But an ancient legend goes,
a fish of steel turned up one day
disturbing my repose.

A seaman came who had no name,
no wish of ever going home;
full of bitterness and hate,
he was tired of the world.

Peering through the porthole he
spied one of my giant eyes:
larger even than his head.

‘The Kraken, help!’ he cried,
and we got into a fight.
The story then goes on to say
that he murdered me that day.

Let them believe it if they like…
Here where it is always night
I am safely out of sight.

Waiting patiently until
they will all have gone extinct.
I can feel it in my ink –
tomorrow maybe, or tonight.

Judy Elfferich | © vertaling: Vivien D. Glass

.
cover BB sketchbook Jules Verne

 

Gepubliceerd in BoekieBoekie sketchbook:
‘The Amazing Adventures of Jules Verne’.

 

 

Nederlandse versie: De Kraak.

Met dank aan Vivien Glass (klik) voor haar toestemming om de vertaling hier te posten.

Het meereiland Innisfree

Bijen

Nu sta ik op en ga ik, ik ga naar Innisfree,
een kleine hut daar bouwen van leem en wilgenteen:
met negen rijen bonen, een bijenkorf of drie
in gonzend veld wonen, heel alleen.

Dan kom ik wat tot rust daar, want rust drupt traag en zoet,
druppelt uit de morgensluiers naar waar de krekel zingt;
de nacht is er vol glinster, de middag paarse gloed,
de avond een en al vlugge vink.

Nu sta ik op en ga ik, want steeds, van vroeg tot laat
hoor ik dat zacht gekabbel van ’t water van het meer;
op grote brede wegen of in een grijze straat
hoor ik het diep in mij, steeds weer.

William Butler Yeats (1865-1939) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

THE LAKE ISLE OF INNISFREE

I will arise and go now, and go to Innisfree,
And a small cabin build there, of clay and wattles made:
Nine bean rows will I have there, a hive for the honey-bee,
And live alone in the bee-loud glade.

And I shall have some peace there, for peace comes dropping slow,
Dropping from the veils of the morning to where the cricket sings;
There midnight’s all a glimmer, and noon a purple glow,
And evening full of the linnet’s wings.

I will arise and go now, for always night and day
I hear lake water lapping with low sounds by the shore;
While I stand on the roadway, or on the pavements grey,
I hear it in the deep heart’s core.

Daar bij de wilgentuin

Les amoureux, Henri Martin
Daar bij de wilgentuin kwam mijn lief me tegemoet;
ze kwam de wilgentuin door al met sneeuwwitte voet.
Ze zei: til licht aan liefde, zoals blad groeit aan een boom;
maar ik, nog jong en dwaas toen, ik deelde niet haar droom.

Mijn lief en ik, we stonden vlak aan de waterkant;
langs mijn gebogen schouder streek haar sneeuwwitte hand.
Ze zei: til licht aan ’t leven, zoals gras groeit langs de sloot;
maar ik was jong en dwaas toen, en huil nu mijn ogen rood.

William Butler Yeats (1865-1939) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

DOWN BY THE SALLEY GARDENS

Down by the salley gardens my love and I did meet;
She passed the salley gardens with little snow-white feet.
She bid me take love easy, as the leaves grow on the tree;
But I, being young and foolish, with her would not agree.

In a field by the river my love and I did stand,
And on my leaning shoulder she laid her snow-white hand.
She bid me take life easy, as the grass grows on the weirs;
But I was young and foolish, and now am full of tears.

.

Bladmuziek: Down by the salley gardens