Kleine Weense wals

.
Egon Schiele, dubbel zelfportret (1915)

In Wenen daar vind je tien meisjes,
een schouder waarop de dood uithuilt
en een woud vol verschrompelde duiven.
Er ligt een scherf, een schilfertje morgen
in het museum van vorst en ijzel.
Er is een zaal met duizend ramen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals met je lippen verzegeld.

Deze wals, deze wals, deze wals
van ja, van dood en van cognac
die zijn staart onderdompelt in zee.

Ik wil je, ik wil je, ik wil je
met de luie stoel en het dode boek,
door het melancholieke portaal,
op de donkere leliënzolder,
in ’t bed waarin de maan ons spiegelt
en in de dansdromerij van de schildpad.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals waar je middel van knakt.

In Wenen daar vind je vier spiegels
waar je mond en de echo’s in spelen.
Er is daar een dood voor piano
die de jongens met blauwe verf inkleurt.
Er zijn bedelaars op de daken.
Er zijn verse bloemslingers van tranen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals die bezwijkt in mijn armen.

Want ik wil je, ik wil je, mijn liefste
op de zolder waar de kinderen spelen,
in dromen vol oud Hongaars lamplicht
door het rumoer van de lauwwarme avond,
in beelden van schapen en lelies van sneeuw
over je voorhoofds donkere stilte.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals van ik-wil-je-altijd.

In Wenen zal ik met je dansen
met een masker op waar
een rivier in ontspringt.
Kijk, ik heb oevers aan vol hyacinten!
Mijn mond laat ik achter tussen je benen,
mijn ziel in foto’s en witte lelies,
en ’t donkere kielzog van jouw passen
daaraan, mijn liefste, mijn liefste, vermaak ik
viool en tombe, de linten der wals.

Federico García Lorca (1898-1936) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Nominatie Nederland Vertaalt 2017.
Alle genomineerde vertalingen S-N: klik.
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

PEQUEÑO VALS VIENES

En Viena hay diez muchachas,
un hombro donde solloza la muerte
y un bosque de palomas disecadas.
Hay un fragmento de la mañana
en el museo de la escarcha.
Hay un salón con mil ventanas.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals con la boca cerrada.

Este vals, este vals, este vals,
de sí, de muerte y de coñac
que moja su cola en el mar.

Te quiero, te quiero, te quiero,
con la butaca y el libro muerto,
por el melancólico pasillo,
en el oscuro desván del lirio,
en nuestra cama de la luna
y en la danza que sueña la tortuga.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals de quebrada cintura.

En Viena hay cuatro espejos
donde juegan tu boca y los ecos.
Hay una muerte para piano
que pinta de azul a los muchachos.
Hay mendigos por los tejados.
Hay frescas guirnaldas de llanto.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals que se muere en mis brazos.

Porque te quiero, te quiero, amor mío,
en el desván donde juegan los niños,
soñando viejas luces de Hungría
por los rumores de la tarde tibia,
viendo ovejas y lirios de nieve
por el silencio oscuro de tu frente.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals del ‘Te quiero siempre’.

En Viena bailaré contigo
con un disfraz que tenga
cabeza de río.
¡Mira qué orillas tengo de jacintos !
Dejaré mi boca entre tus piernas,
mi alma en fotografías y azucenas,
y en las ondas oscuras de tu andar
quiero, amor mío, amor mío, dejar,
violín y sepulcro, las cintas del vals.

De Knoertendoder

Knoertendoder
De Knoertendoder schaamt zich dood.
Zijn konen kleuren purperrood
want hij heeft heel wat uit te leggen.
Hij durft het bijna niet te zeggen:
zijn levenswerk bleef onvolvoerd,
nog nimmer doodde hij een Knoert.

Zijn opa heeft hem indertijd
niet onsuccesvol opgeleid
met knots en slinger, bijl en blijde.
Helaas was bij diens overlijden
één kwestie nog onaangeroerd:
waaraan herkennen wij een Knoert?

Hij heeft een Gippel gif gevoerd,
een Polk geplet, een Murk gemoerd;
zelfs kraakte hij diverse Krangen –
het werd met hoongelach ontvangen.
Zo heeft hij jaren aangeklooid
en Knoerten doden deed hij nooit.

Net toen hij dacht: ’t zit me tot hier!
ontmoette hij een wijfjesdier
wier zoete zang hem zo ontroerde
dat hij haar vloerde en ontvoerde.
De bruid bleek Stoere Doerian,
de laatste Knoert van Knoertistan.

Nu strijdt zijn liefde met zijn trots:
nog steeds ligt onder ’t bed die knots…
In weerzinwekkend woeste dromen
weet hij zich soms niet in te tomen
en kleuren lakens purperrood.
‘De schat!’ zingt zij. ‘Hij schaamt zich dood.’

© Judy Elfferich

Do not go gentle…

 

Ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Dylan Thomas heb ik een poging gedaan om zijn beroemdste gedicht te vertalen.

 
GA NIET DIE GOEDE NACHT IN ZONDER STRIJD

Ga niet die goede nacht in zonder strijd,
luid hem met vuurwerk uit, de oude dag;
raas, raas wanneer het laatste licht verglijdt.

Wie wijs werd en beseft: zwart wint altijd,
mijn woord verwekt geen flits of donderslag,
gaat niet die goede nacht in zonder strijd.

Wie goed doet en met hoop zijn pad plaveit
maar broze daden niet meer dansen mag,
raast, raast wanneer het laatste licht verglijdt.

Wie wild de zon ving, zingend haar berijdt
en laat pas ziet: haar hindert mijn gedrag,
gaat niet die goede nacht in zonder strijd.

Wie, ernstig eraan toe, het licht al kwijt,
verblind wordt door een oog met sterrenlach,
raast, raast wanneer het laatste licht verglijdt.

En jij, mijn vader, bijna uit de tijd,
vloek, zegen mij met tranen, luid beklag.
Ga niet die goede nacht in zonder strijd.
Raas, raas wanneer het laatste licht verglijdt.

Dylan Thomas (1914 – 1953) | © vertaling: Judy Elfferich

 
Do not go gentle into that good night
Over de versvorm villanelle

Twee koningskinderen
(maar dan andersom)

.
Een bekend middeleeuws lied begint zo:

Het waren twee conincskinderen

Van de Griekse oudheid tot nu zijn er nog veel meer gedichten en liederen geschreven over deze twee gelieven. Soms heten ze Hero en Leander, meestal hebben ze geen naam. Maar altijd zijn ze on­bereik­baar voor elkaar doordat er water tussen zit.

Dat heb ik omgedraaid: de konings­kinderen zijn hier zee­meer­mensen, ze wonen in het water en worden gescheiden door een berg.

Twee koningskinderen, illustratie © Yella Roth

TWEE KONINGSKINDEREN

Er waren twee koningskinderen
die misten elkaar zo erg:
ze konden niet samen zwemmen
want tussen hen stond een berg.

Waar blies zij op? Een kinkhoorn,
een zeeschelp zoet van toon,
om hem de weg te wijzen,
die jonge koningszoon.

De berg van zand en stenen
was hard en steil en droog.
Daar liep hij op zijn handen
de lange weg omhoog.

Zo klom hij naar de top toe;
daar was het smorend heet
met dikke zwarte rook die
hem in de ogen beet.

En zij, de koningsdochter
met lokken lang en blond,
zij zette vol verlangen
de kinkhoorn aan haar mond.

Maar ai! een vinnig viswijf,
jaloers op haar geluk,
dook op vanuit de diepte
en sloeg de kinkhoorn stuk…

Lees verder

© Judy Elfferich

Deze herdichting staat in BoekieBoekie 95: ‘Koningskinderen’.
Oorspronkelijke versie: klik.

Roos leest YA Lit:
van Lauren Kate tot John Green

tweemaal Roos - foto's: © Judy Elfferich, all rights reserved
Roos van Rijk (16) zit in 3 havo, doet aan acrobatiek (productiegroep Circus Rotjeknor) en leest sinds haar twaalfde ‘young adult literature’. Ik vroeg haar om een interview.

 
Jij bent een echt leesbeest hè?

Ja! Ik lees vijf à tien boeken tegelijk. Niemand die ik ken doet dat. Anderen kijken films. Ik wil altijd het boek lezen voordat ik de film zie.

En er zijn boeken die ik wel tien keer heb gelezen. Bijvoorbeeld The Hunger Games. Dat zijn drie delen. Die heb ik eerst in het Nederlands gelezen, toen in het Engels, en daarna het laatste deel nog een keer.

Mijn ouders zijn allebei gek op lezen, dat is op mij overgeslagen. Ik herinner me nog wel dat ik heel in het begin lezen niet leuk vond. Maar toen mijn hersens echt gingen begrijpen hoe je moet lezen (zo dat je de woorden in één keer herkent en vasthoudt), toen kreeg ik de smaak te pakken.

 
Wat was de eerste Engelse YA Lit die je las?

Twilight. Die serie had ik al in het Nederlands gelezen. Daarna was het Engels niet moeilijk. Dat ging meteen goed. Ik kende het verhaal al. En ik vond Engels lezen interessant. Als ik een woord niet wist, vroeg ik het aan m’n moeder.

 
Hoe en waar vind je boeken die je wilt lezen?

Ik ga naar de bieb en ik kijk op internet naar de top-tiens van boekwinkels (behalve die van Bruna, de boeken daarin vind ik te kinderachtig).

Vooral zoek ik naar Engelse boeken. En die lees ik het liefst gewoon in het Engels, want ze zijn soms raar vertaald. Dat voelt zo nep, net als de nagesynchroniseerde stemmen bij Harry Potter.

YA Lit lees ik sinds m’n twaalfde. En ik blijf het nog een hele tijd lezen, denk ik. Zeker tot ik twintig ben.

 
Ben je verslaafd?!

Een beetje wel :-)
Het is fijn om je eigen beeld van iets te maken. Je eigen voorstelling van een plek, een andere wereld dan die waar je zelf in zit. Ook als je down bent: dan kun je even ergens heen waar het wél goed gaat.

In mijn hoofd mix ik het boek met de echte wereld. Bijvoorbeeld de tuchtschool in Fallen. Die zie ik voor me als mijn eigen school, maar dan anders.

 
Fallen?
Fallen, cover

 
Dat was de eerste YA-serie die ik las. In het Nederlands, toen nog.
Ik zag het eerste deel in de boekwinkel, de flaptekst sprak me aan:
onmogelijke liefde, spanning en dood :-)

Deze serie blijf ik herlezen!
Als ik geen zin heb in een ander boek, of niet weet wat ik moet lezen,
dan grijp ik er weer naar. Bepaalde stukjes wil ik steeds opnieuw.
 

Luce en Daniel zijn gevallen engelen en voor elkaar bestemd. De vier delen van de serie gaan over vier levens van Luce. Telkens sterft ze na hun eerste kus, maar komt terug en ontmoet Daniel opnieuw. In elk volgend leven is Luce alles vergeten. Daniel sterft niet, wordt niet ouder en onthoudt alles.

 
Wat heb je door Fallen voor nieuws ontdekt?

Fallen is nog meer een andere wereld dan een boek altijd al is. Het gaat over oprechte liefde in plaats van ‘gewoon’ over liefde en seks. Het verhaal speelt zich af op een hoger niveau. Die voorbestemming en die engelen, dat is romantisch.

 
Wat vind je de mooiste scène?

Als Luce na het zwemmen ‘vleugels’ ziet bij Daniel – later blijkt dat hij die echt heeft.

 
Zijn die YA-boeken allemaal zo fantasy-achtig?
The Fault in Our Stars, cover

 
Nee, het laatste boek dat ik heb gelezen is juist heel realistisch. The Fault in Our Stars gaat over de liefde tussen twee jongeren met kanker.

Het is vanuit de hoofdpersoon zelf geschreven, in de ik-vorm. Je zit echt in haar, in haar gedachten. Het is een moeilijker boek, met een heftiger onderwerp, intenser. En met meer moeilijke woorden.
 

Hazel is zestien of zeventien en heeft al sinds haar twaalfde kanker. Ze verzet zich tegen hoe er vaak tegen kanker aan wordt gekeken. ‘Kanker is een bijwerking van de dood. En depressie ook.’ Dat is een citaat uit Hazels lievelingsboek, An Imperial Infliction van Peter van Houten. De hoofdpersoon in dat boek is ook realistisch in de kijk op haar leven en ziekte.

Er zit veel relativering in The Fault in Our Stars. Bijvoorbeeld: Hazel noemt haar zuurstoftank Philip, samen met hem kijkt ze naar America’s Next Top Model.

Via een ‘support group’ leert Hazel Augustus (Gus) kennen, die door kanker een been heeft verloren. Ze worden verliefd en Gus gebruikt zijn ‘laatste wens’ om Hazel mee te nemen naar Amsterdam, zodat ze Peter van Houten kan ontmoeten. P. v. H. blijkt een zak, een zuiplap. Dan komt bij Gus de kanker terug, en hij gaat dood.

 
Zoek je woorden op als je zo’n moeilijk boek leest?

Nee, opzoeken is gedoe, dan moet je eruit, dat wil je niet. Dus meestal lees ik gewoon door. De context helpt vaak, net als bij een Nederlands boek. Ik vraag ook nog steeds af en toe een woord aan mijn moeder of aan mijn vader.

 
Welke scène is je het meest bijgebleven?

Dat Hazel soms Gus’ echte been tegen het hare voelt en soms zijn nepbeen. En hun eerste zoen, in het Anne Frank Huis. En dat Gus zijn ‘dodenpak’ (gekocht voor in de kist) draagt als ze uit eten gaan. En de metafoor van Gus’ eeuwige onaangestoken sigaret: ‘Je stopt het dodelijke in je mond, maar je geeft het niet de macht om je te doden.’

 
Na ons gesprek leende Roos me The Fault in Our Stars. Ik heb het in één ruk uitgelezen en meteen de andere boeken van John Green besteld.

 
Lauren Kate, Fallen
John Green, The Fault in Our Stars
JG’s antwoorden op vragen over TFiOS

Bergop

H.N. Werkman, De engel van de laatste troost - facsimile-editie eigendom JudyElf

Gaat de weg aan één stuk door bergop?
      Ja vriend, het hele end.
Kost het heel de dag tot aan de top?
      ’t Is nacht eer je er bent.

Is daar wel een rustplaats voor de nacht?
      Een dak voor als het trage donker komt.
Word ik niet op dwaalsporen gebracht?
      Die herberg vind je prompt.

Kom ik anderen tegen op mijn tocht?
      Hen die zijn voorgegaan.
Klop ik aan, of roep ik na de laatste bocht?
      Heus, ze laten je daar niet buiten staan.

Kom ik, óp van de reis, weer op verhaal?
      Je lijdensweg die eindigt daar.
Zijn er bedden voor ons allemaal?
      Ja, ieders bed staat klaar.

Christina Rossetti (1830 – 1894) | © vertaling: Judy Elfferich

Onder een grote witte paraplu-met-lichtje heb ik dit gedicht voorgelezen aan vele bezoekers van de jaarlijkse avondherdenking op begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam.
Het was het lievelingsgedicht van Vincent van Gogh, hij haalde het aan in verschillende brieven en in zijn eerste preek (klik).

Over Allerzielen
Over Christina Rossetti

ACH GUT, zeiden de dames Groen

.
ACH GUT, zeiden de dames Groen. Oom Karel is gestorven,
in vredige berusting en zijn eigen ledikant.
We vroegen ons al jaren af: wie heeft zijn klok georven?
Maar hij was nog niet dood. Nu wel, dat staat hier in de krant.

Welaan, zo sprak de dominee, dan gaan we hem begraven.
Ik zal een Woordje Spreken tot de schare rond het graf:
wie dorstig naar vertroosting zijn zal ik volgaarne laven.
Hij pakte zijn geklede jas en borstelde hem af.

Met zonnebrillen en in ’t zwart vertrokken ze naar Zwolle –
koud waren ze op weg of ze verdwaalden in de mist.
Op de begraafplaats zei het schaap: Nu even keihard hollen!
Zo kwamen ze nog net op tijd voor ’t zakken van de kist.

De dominee die elleboogde zich terstond naar voren.
Vaarwel, sprak hij geroerd. Gij waart een Kerel van Stavast!
Daar leken de aanwezigen nogal van op te horen,
vooral een paarsgejurkte heer die klaarstond met een kwast.

Opeens ontstond er trammelant: er was een krans verdwenen!
Toen werd het schaap Veronica op heterdaad betrapt
met lint waarop te lezen stond: Rust zacht, zuster Helene.
Oeps! zei ze. Maar ik had zó lang geen lelies meer gehapt…

Heleen? zeiden de dames Groen. Dat is niet onze oom.
Op naar oom Karel! En dan straks een plakje keek met room.

© Judy Elfferich

.
cover KortVerhaal, afscheidsnummer, winter 2012

 

 

Dit vers staat in het Winternummer
van KortVerhaal (thema: afscheid).
 

 

 

Meer schaap-Veronica-verzen