De Warbels

(The Jumblies)

The Jumblies, getekend door Edward Lear zelf

I
Ze gingen naar zee in een zeef, jawel,
in een zeef al naar de zee.
Hun vrienden vonden ’t ondoordacht
maar bij winters weer en bij windkracht acht
gingen zij in een zeef naar zee!
En toen de zeef aan ’t tollen sloeg
en iedereen riep: ‘Nu is ’t genoeg!’
riepen zij: ‘Goed, groot is hij niet,
maar dat maakt ons geen sikkepit uit, geen biet!
In een zeef gaan wij naar zee!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

II
Ze zeilden weg in een zeef, jawel,
in een zeef, heel enthousiast.
Door stormwinden voortgejaagd, mijl na mijl,
met enkel een grasgroene sjaal als zeil
en een pijp bij wijze van mast.
En iedereen zei, die hen zag gaan:
‘O hemeltjelief, ze gaan eraan!
Want de reis is lang en pikzwart is het zwerk,
zo’n zeefvaart is echt onbegonnen werk:
o hou je hart toch vast!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

III
Het water liep gauw erin, jawel,
het water liep gauw erin.
Dus ze vouwden roze vloeipapier
om hun voeten, keurig en zonder kier,
en dat speldden ze vast aan hun kin.
En ze sliepen ’s nachts in een pot van steen,
‘Wat slim hè?’ zeiden ze een voor een.
‘Hoe lang ook de reis en hoe zwart het zwerk,
dat de zeefvaart slecht afloopt dat lijkt ons sterk…

Lees verder

Edward Lear (1812-1888) | © vertaling: Judy Elfferich

De Liefdestuin

.
The Garden of Love, vormgegeven en geïllustreerd door William Blake zelf

Ik ging naar de Liefdestuin toe
en zag wat ik nooit had gezien:
dat waar ik ooit speelde in ’t gras
een kapel was gebouwd sedertdien.

En het hek eromheen was op slot
en ‘Gij zult niet’ stond boven de deur.
Dus ik keerde me weer naar de Tuin
vol bloemen zo heerlijk van geur.

En wat zag ik daar: een en al graf.
En bloemen? Nee, zwartrokken die
rond zerken brevierden en al mijn plezier en
verlangens verstikten met dorens die prikten.

William Blake (1757-1827) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

THE GARDEN OF LOVE

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And ‘Thou shalt not’ writ over the door;
So I turn’d to the Garden of Love,
That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves,
And tomb-stones where flowers should be:
And Priests in black gowns, were walking their rounds,
And binding with briars, my joys & desires.

Dus we gaan niet meer uit dwalen

Lord Byron op zijn sterfbed, door Joseph Odevaere

Dus we gaan niet meer uit dwalen
tot in de late nacht,
ook al blijft het hart aanhalig
en vertoont de maan haar lach.

Want het zwaard verslijt zijn schede
en de ziel verslijt de bast,
en het hart raakt moegestreden
en liefde zelf wordt last.

Ook al stemt de nacht aanhalig
en kraait veel te vroeg de haan,
we gaan toch niet meer uit dwalen
bij het licht van de maan.

Lord Byron (1788-1824) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

SO WE’LL GO NO MORE A-ROVING

So we’ll go no more a-roving
So late into the night,
Though the heart be still as loving
And the moon be still as bright.

For the sword outwears its sheath,
And the soul wears out the breast,
And the heart must pause to breathe,
And Love itself have rest.

Though the night was made for loving,
And the day returns too soon,
Yet we’ll go no more a-roving
By the light of the moon.

The Kraken

De Kraak, door Sebastiaan Van Doninck
They call me the Kraken
because I like cracking
the hulls of their ships
in my tentacles’ grip.

A monster of the deep
I drift into their stories
once a century, I think.

They shudder and scream
when we meet in their dreams.
I scare them half to death –
I can feel it in my ink.

Cradled softly by the pitch-black
water in my seabed home,
I’m hiding where they cannot go.

This is how it’s always been:
them, up high and dry,
me, asleep down in the deep.
I wouldn’t want it any other way.

But an ancient legend goes,
a fish of steel turned up one day
disturbing my repose.

A seaman came who had no name,
no wish of ever going home;
full of bitterness and hate,
he was tired of the world.

Peering through the porthole he
spied one of my giant eyes:
larger even than his head.

‘The Kraken, help!’ he cried,
and we got into a fight.
The story then goes on to say
that he murdered me that day.

Let them believe it if they like…
Here where it is always night
I am safely out of sight.

Waiting patiently until
they will all have gone extinct.
I can feel it in my ink –
tomorrow maybe, or tonight.

Judy Elfferich | © vertaling: Vivien D. Glass

.
cover BB sketchbook Jules Verne

 

Gepubliceerd in BoekieBoekie sketchbook:
‘The Amazing Adventures of Jules Verne’.

 

 

Nederlandse versie: De Kraak.

Met dank aan Vivien Glass (klik) voor haar toestemming om de vertaling hier te posten.

Schotel schotel schotel, schotel-tv

.
Kinderversje van de Hongaarse dichter János Lackfi, gebeatboxt door rapper Pista Busa en verbeeld door animator Pétér Vácz:


.

SCHOTEL

Schotel schotel schotel,
schotel-tv.
Gaan we kijken?
Goed idee!

Schotel schotel schotel,
voetbalmatch.
Goal! Slow motion,
knie gekwetst.

Schotel schotel schotel,
reclamespot.
Antirimpel,
kóóp zo’n pot!

Schotel schotel schotel,
kluis gekraakt.
Boem! Miljoenen
buitgemaakt.

Schotel schotel schotel,
sterartiest.
Billen swingen
op de beat.

Schotel schotel schotel,
onverwachts
aliens in je
dromen ’s nachts!

János Lackfi | © vertaling: Judy Elfferich
.

Engelse versie van het filmpje (vertaling: Joseph Wallace): klik.

Het meereiland Innisfree

Bijen

Nu sta ik op en ga ik, ik ga naar Innisfree,
een kleine hut daar bouwen van leem en wilgenteen:
met negen rijen bonen, een bijenkorf of drie
in gonzend veld wonen, heel alleen.

Dan kom ik wat tot rust daar, want rust drupt traag en zoet,
druppelt uit de morgensluiers naar waar de krekel zingt;
de nacht is er vol glinster, de middag paarse gloed,
de avond een en al vlugge vink.

Nu sta ik op en ga ik, want steeds, van vroeg tot laat
hoor ik dat zacht gekabbel van ’t water van het meer;
op grote brede wegen of in een grijze straat
hoor ik het diep in mij, steeds weer.

William Butler Yeats (1865-1939) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

THE LAKE ISLE OF INNISFREE

I will arise and go now, and go to Innisfree,
And a small cabin build there, of clay and wattles made:
Nine bean rows will I have there, a hive for the honey-bee,
And live alone in the bee-loud glade.

And I shall have some peace there, for peace comes dropping slow,
Dropping from the veils of the morning to where the cricket sings;
There midnight’s all a glimmer, and noon a purple glow,
And evening full of the linnet’s wings.

I will arise and go now, for always night and day
I hear lake water lapping with low sounds by the shore;
While I stand on the roadway, or on the pavements grey,
I hear it in the deep heart’s core.

Daar bij de wilgentuin

Les amoureux, Henri Martin
Daar bij de wilgentuin kwam mijn lief me tegemoet;
ze kwam de wilgentuin door al met sneeuwwitte voet.
Ze zei: til licht aan liefde, zoals blad groeit aan een boom;
maar ik, nog jong en dwaas toen, ik deelde niet haar droom.

Mijn lief en ik, we stonden vlak aan de waterkant;
langs mijn gebogen schouder streek haar sneeuwwitte hand.
Ze zei: til licht aan ’t leven, zoals gras groeit langs de sloot;
maar ik was jong en dwaas toen, en huil nu mijn ogen rood.

William Butler Yeats (1865-1939) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

DOWN BY THE SALLEY GARDENS

Down by the salley gardens my love and I did meet;
She passed the salley gardens with little snow-white feet.
She bid me take love easy, as the leaves grow on the tree;
But I, being young and foolish, with her would not agree.

In a field by the river my love and I did stand,
And on my leaning shoulder she laid her snow-white hand.
She bid me take life easy, as the grass grows on the weirs;
But I was young and foolish, and now am full of tears.

.

Bladmuziek: Down by the salley gardens

De liefde is niet alles

Alles voor de liefde (fotograaf onbekend)
De liefde is niet alles: spijs noch drank,
geen slaap, geen afdak tegen lelijk weer;
en voor wie kopje-onder gaat geen plank
wanneer hij op en neer klotst, keer op keer.

De liefde blaast geen dichte long vol lucht,
zet geen gebroken bot, noch zuivert bloed;
maar o zo vaak wordt in de dood gevlucht
alleen omdat men liefde missen moet.

Het kan heel goed dat ik in tijd van nood
– een helse pijn die medicijn niet blust
of reddeloze armoe en verdriet –

jouw liefde ooit verruilen zou voor rust,
de heugenis aan deze nacht voor brood.
Het kan heel goed. Maar nee, ik denk van niet.

Edna St. Vincent Millay (1892-1950) | © vertaling: Judy Elfferich

Inzending Nederland Vertaalt 2016, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen E-N: klik.
Ster en doemster, mijn inzending D-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

LOVE IS NOT ALL

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;

Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.

It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,

I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

De Lorelei

Lorelei, Helen Stratton
Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

naar Heinrich Heine (1797-1856) | © Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

DIE LORELEY

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.

.

En wat er later van haar is geworden?
Dat onthult C. Buddingh’: De turelurelei.

Daar is-ie, hatsjie!

Maarts viooltje
DAAR IS-IE

Lente laat zijn blauwe lint
zwierig door de luchten zweven;
zoet-vertrouwde geuren geven
kietelend het land een hint.
Maarts viooltje droomt:
binnenkort ontluik ik.
– Hoor, van ver
een wijsje zacht en loom!
   Lente, daar ben jij!
Jou ja! voel en ruik ik.

Eduard Mörike (1804-1875) | © vertaling: Judy Elfferich
.

HATSJIE

Lente laat zijn lauwe wind
grasduinend door velden zweven;
bloesemende bomen geven
kietelend mijn neus een hint.
Maarts viooltje droomt,
wil met hommels dollen.
— Voel alweer
zo’n snot- en tranenstroom!
   Lente, bah, hatsjie!
Jij weer met je pollen.

© Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

ER IST’S

Frühling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte;
süße, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen.
– Horch, von fern
ein leiser Harfenton!
   Frühling, ja du bist’s!
Dich hab’ ich vernommen!