Prometheus

Prometheus, illustratie © Dilyara Samoylova
 © Dilyara Samoylova, nominatie stArt Award 2018

Wat ik jou wens, mijn kleine mens?
Je lijdt maar kou, eet alles rauw,
omdat god Zeus je ’t vuur niet gunt…

Ik steel het voor je, wat een stunt!
Met vonk en gloed in brein en bloed
verdwijnt de grens van wat je kunt.

© Judy Elfferich

.
BoekieBoekie ‘Griekse Helden’

 

Dit gedicht staat in BoekieBoekie ‘Griekse Helden’ (jaarboek 2018).

 

 

Aan elkaar

krabbels, illustratie © Job van Gelder (fragment)
fragment illustratie DICHTER. | © Job van Gelder

Mijn zusje vraagt: ‘Hoe was het daar,
je allereerste dag op school?
En wat heb je geleerd?’

‘Nou, schrijven’, zeg ik. ‘Aan elkaar!
Zal ik het laten zien?’
Met lussen en met krullen
schrijf ik vijf blaadjes vol.

Ze zegt: ‘Niet waar, ik heb je door:
je hebt maar wat gezegd,
je kan het nog niet echt.’

Ik zeg van wel, ga supersnel
weer nieuwe blaadjes vullen,
ben al bij blaadje tien.

Ze trekt aan blaadje zeven
en roept: ‘Hou op nou, stop
en lees het aan me voor!’

Ik zeg: ‘Ahum, waar is mijn gum?
Er ging een lettertje verkeerd.
Eh, ik kan nog niet lezen, nee,
dat leren we pas op dag twee.’

Ze zegt: ‘Geef hier, al dat papier.
Ik lees het zelf wel even.’
En hopla, ze leest alles op
wat ik heb opgeschreven.

En het verhaal klopt helemaal,
zelfs met de blaadjes op hun kop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER.-special ‘Tem de tekens’

 

Dit gedicht staat in de DICHTER.-special ‘Tem de tekens’.

 

 

Luisteren of kijken

woordenvanger

Woorden vangen met mijn oren
gaat heel goed.

Fluisterwoorden, duisterwoorden,
lastige of lange zinnen:
vliegen vlot naar binnen.

Meteen ken ik ze uit mijn hoofd,
van achteren naar voren
zeg ik ze zó weer op.

Maar ze met mijn ogen vangen,
hoe dat moet?

Vette woorden, nette woorden,
duidelijk gedrukte zinnen:
niks mee te beginnen.

Mijn hersens lijken wel verdoofd,
ik oefen me te pletter
maar ’t wil niet in mijn kop.

De woorden blijven hangen
waar ik ze niet kan horen,
verstopt achter die letters.

Dus wie mij wil bereiken
die laat me luisteren,
niet kijken.

© Judy Elfferich

.
DICHTER.-special ‘Tem de tekens’

 

Dit gedicht staat in de DICHTER.-special ‘Tem de tekens’.

 

 

Bij een Barbadiaanse baai

Hangmat

Bij een Barbadiaanse baai
staan twee Barbadiaanse bomen.
Aan die Barbadiaanse bomen
hangt een Barbadiaanse hangmat.
In die Barbadiaanse hangmat
drinkt een heer, zeer in zijn hum,
uit een Barbadiaanse beker
thee met Barbadiaanse rum.

(Als hij straks gaat pootjebaden
spoelt hij rustig en bedaard
alle rum die hij gemorst heeft
uit zijn Barbadiaanse baard.)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 8, ‘Het Wereldnummer’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 8, ‘het wereldnummer’.

 

 

Kora van de korenbloemen

granaatappelpitten

Demeter:
Mensen waren eerst nomaden
zonder huis en zonder haard
die op hazen, herten joegen,
bessen, bramen, noten plukten.
Altijd maar naar eten zoekend,
nu eens hier en dan weer daar.

Maar ze wenden aan het wonen
en ze leerden tuintjes maken,
gingen met de gieter rond,
leerden wachten tot de zaden
uitgroeiden tot graan en bonen
op een eigen lapje grond.

Ik laat al hun oogsten lukken.
Graan voor meel en meel voor brood,
dankzij mij geen hongersnood.

Kora:
Ja ja ja moeder Demeter,
ja dat dacht je, in je dromen.
Vroeger toen was alles beter,
één oneindig lange zomer,
maar die tijden zijn voorbij.

Demeter:
Juist, een patserige kerel
dook hier op en weg was jij.
Hades uit de onderwereld
met zijn duistere praktijken,
tja die gaat dus over lijken…
Kom je ooit nog terug bij mij?

Vogels, vlinders, bijen treuren
want geen bloem die nu nog bloeit.
Hoe kon dit zomaar gebeuren?
Kale velden, dorre akkers,
honger houdt de mensen wakker,
heel hun oogst heb ik verknoeid.

Goed, ik ben bij Zeus gaan smeken;
hij gaf Hades te verstaan:
jij moet Kora laten gaan.

Kora:
Die liet het er niet bij zitten:
hij gaf mij een handje pitten
van granaatappels te eten
en, had ik dat maar geweten,
nu zit ik dus aan hem vast.

Demeter:
Had ik alles voor elkaar,
ga jij rode pitten slikken
zodat hij ons dit kon flikken!
Had toch beter opgepast…
Wie iets opeet daar beneden
is niet meer vrijblijvend gast.

Jij blijft deels bij Hades wonen,
bovenkomen mag je maar
zoveel maanden van het jaar.

Kora:
O, bij jou hier heel de zomer
en de wintermaanden daar?
Nog niet alles is verkeken!

Demeter:
Voortaan hebben we seizoenen:
in de winter duik je onder
en verdwijnt met jou de zon
maar verschijn je uit het donker,
Kora van de korenbloemen,
dan schiet graan weer uit de grond.

Vogels zingen, bijen zoemen,
duizend vlinders vliegen rond
als mijn dochter Kora komt.

© Judy Elfferich

.
BoekieBoekie ‘Griekse Helden’

 

Dit gedicht staat in BoekieBoekie ‘Griekse Helden’ (jaarboek 2018).

 

 

Tegen vergetelheid

Viktor Hartmann

Vriendlief, wat mis ik je…
Viktor, mijn zielsverwant
Dooft jouw gedachtenis uit
Als ik sterf?

Nee! Ik, Modest, geef als
Hyperromanticus
Weerklank voor eeuwen
Aan jou en je verf

© Judy Elfferich

.
Dit ollekebolleke gaat over De Schilderijen­tentoonstelling van Modest Moessorgski. In 1974 componeerde hij deze suite, na het bekijken van een overzichts­expositie van de overleden schilder Viktor Hartmann.

Met schrijfcursisten uit Eindhoven doe ik mee aan het woord-en-beeld-bij-muziek-project ‘Op en Top Romantiek’ van Orkest Zuid en Griet Menschaert. Ter inspiratie woonden we een orkest­repetitie bij. De teksten komen in een boekje, dat verkrijgbaar zal zijn bij uitvoering op 23 juni 2018.

Over ‘Op en Top Romantiek’

De Wollefop

De Wollefop wist niet zo goed
wat hij van zichzelf moest maken.

Is dus zomaar wat gaan haken, babyblauw
breide hij er beetjes bij, knoopte eindjes aan elkaar,
punnikte een flinke staart.

Maar soms liet hij steken vallen, raadselblauw
raakte er een draadje los, of er kwam een mot voorbij
die een hap nam uit z’n vacht.

En een keer werd hij gewassen, zeeziekblauw
in het veel te hete sop… Toen wist hij het echt niet meer,
voelde zich een prullig vod.

Hingen ze hem kletsnat op, bibberblauw
met een knijper aan z’n oor. Is hij van de lijn gewaaid,
vloog over de hoogste daken

tot hij neerkwam voor mijn deur, wazigblauw
lag hij zielig in de prut. Dus maar zacht voor hem gezongen,
hem voorzichtig uitgewrongen.

Kijk, hij krijgt alweer wat kleur, knipoogblauw
glimt z’n opgelapte snuit. Alle rafels vastgenaaid,
vale plekken weggeaaid.

Vraagt vergeet-me-nietjes-blauw: ‘Blijven slapen?’
Eindelijk weet hij wat hij wou,
de Wollefop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 7, ‘Blauw’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 7, ‘Blauw’.

 

 

Alsmaar

(de Piepzakblues)

nachtlamp

Als ik nou eerst maar
een beetje kon slapen
want morgen dan moet ik

Maar als er aldoor
en zou de wekker wel
stel dat de bus niet
en dat ik te laat

Maar als daar geen lift is
en hoe moet ik weten
waar of ik naartoe

Waar had ik dat briefje
want daar staat het op

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

En als ik moet wachten
kan ik dan zolang wel

Maar als ze vergeten
of als ik niet hoor

Of als ze weer zeggen
nee eerst formulieren
die dinges moet over
wat ik niet verstaan heb

Die andere pillen
m’n leesbril de zak van
m’n andere jas

Als maar niet die ene
die vorige keer zei

En dat alle anderen
dat die dan zo kijken

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Als ik nou morgen
als ik aan de beurt ben

Als het maar niet weer
zo vreselijk pijn doet
en als ik maar snap

Maar als het een man is
dan kan ik niet zeggen
dan ga ik niet vragen
dan hou ik m’n mond maar

En wat als het mis is
hoe moet het dan verder

Als ik ga janken
dan moet ik een zakdoek
de dinges de zak van
m’n andere jas

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Morgen dan moet ik
dus als ik nou eerst maar

© Judy Elfferich
.

Dit gedicht staat in Ziekelijk bang. Angst in fictie (symposiumbundel Literatuur & Geneeskunde, VUmc 2017).

Grey Brother’s song for Mowgli

.
Grijze Broeders lied voor Mowgli, illustratie © Emily Van Overstraeten
© Emily Van Overstraeten, 2e prijs stArt Award 2017

Human arm has cradled you,
human voice sang you to sleep,
red flame-flower kept you warm
Mowgli, until tiger came.

You were reared on wolf milk after
searing flower’s scorching heat
bit into the tiger’s feet:
when we suckled, there was room
to feed you too.

Father wolf and mother wolf
licked you clean with velvet tongues,
living in our cave among us
you became our brother cub.

Mowgli, funny naked frog
without furry coat or tail,
short of snout but nimble-fingered,
panther (who knows humans) paid
a bull for you.

You are not like other creatures:
red spark-flower in your stare
makes us all avert our eyes
Mowgli, master of the fire.

Bear took care of you, he taught you
all the laws and master words,
languages of beasts and birds
and our jungle wisdom, too
as you grew.

All (except some monkey folks
who even kidnapped you one time)
respect you now as one of them
Mowgli, funny naked frog.

For a while you lived with humans,
learned to quack the way they do.
No one understood you there:
frightened of the magic things
you did and knew.

But we jungle-dwellers never
will forget how you came back
after you defeated tiger –
with me, grey brother from your pack.

Mowgli, Mowgli, which are you:
funny wolf or feral man?
Both are true.

Judy Elfferich | © vertaling: Vivien D. Glass

.
Nederlandse versie: Grijze Broeders lied voor Mowgli.

Met dank aan Vivien Glass (klik) voor haar toestemming om de vertaling hier te posten.

Apenlied

.
Apenlied, illustratie © Jesse Strikwerda

Hoor, jungle, hoor!
Hier krijst het Apenkoor,
de ruige Rimboeband
die barst van het talent.

Wij zijn het allerbest
in takkeherrie maken,
getreiter en gepest
met noten die je raken.

Gekruip, gesluip, gefluister,
dat maakt ons apeziek.
Kom jungledieren, luister!
We snakken naar publiek.

We drammen en drummen,
we brullen en brallen.
We gymmen en klimmen,
nooit zullen we vallen.

Wij zijn de superknappen,
een wonder der natuur.
En met de beste grappen:
je schrikt je ’t apezuur.

Beer, wolven en panter
zijn allemaal watjes
maar wij zijn wel anders.
Nee, wij zijn geen schatjes.

We komen Mowgli roven,
we nemen Mowgli mee
en sleuren hem naar boven.
Een apeslim idee!

Hij moet ons even leren
om boomhutten te bouwen.
(Wij houden van proberen
maar niet zo van onthouden.)

Dan komt hij bij ons wonen
en in zo’n boomhut slapen.
Dan gaan we Mowgli kronen
tot koning van de apen,

al heeft hij maar twee handen
en elk van ons wel vier.
Die sukkels roepen schande
maar dat boeit ons geen zier.

We springen en we swingen
en spelen luchtgitaar;
hier in de hoogste kringen
dreigt bijna nooit gevaar.

Toch – elk van ons is bang
dat langzaam van beneden
ooit negen meter slang
een boom in komt gegleden.

Dus hangen alle apen
bij plotseling gesis
meteen op apegapen:
als Kaa komt, is het mis.

Een keer zal hij ons krijgen…
zijn trage hongerdans
brengt iedereen tot zwijgen,
brengt iedereen in trance.

Hoor, jungle, hoor!
Dan wordt het Apenkoor
doodkalm, zonder poeha
gesmoord door Kaa.

© Judy Elfferich

.
Jungle-BoekieBoekie

 

Dit gedicht staat in Jungle Boekie­Boekie (jaarboek 2017).