Het Huppeldepuppy

Huppeldepuppy

Mijn vader is een Oefdier
verslaafd aan levertraan.

Mijn moeder is een Spijtkonijn
dat Zevenzeeënhond wou zijn.

Maar ik ben een Huppeldepuppy,
ik trek me er niks van aan.

© Judy Elfferich

Man zonder hond

kwijt, illustratie © Kees de Kort (fragment)
fragment illustratie DICHTER. 13 | © Kees de Kort

Bij de vijver in ’t park zie ik iedere keer
die ene meneer.
Gejaagd loopt hij rond en als ik naar hem kijk
komt hij naar me toe.

Dan aait hij Baloe:
‘Ben jij soms mijn hond? Was ik jou misschien kwijt?’

Vandaag in het bos loopt Baloe lekker los,
daar hoor ik geroep.
Diezelfde meneer: ‘Sammy! Boef! Bella! Beer!’
Baloe kijkt niet op.

‘Waar is het asiel? Ben ik daar al geweest?’
En weg is hij weer.

© Judy Elfferich
.
DICHTER. 13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’

 

Dit gedicht staat in DICHTER.13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’.

 

 

Vikingliedje

Yggdrasil

’s Avonds als ik slapen ga
tel ik de negen werelden na.

Een van de mensen, twee van de goden,
een van de reuzen en een van het vuur,
een van de elfen en een van de mist,
een van de dwergen, een van de doden.

Als het avond wordt en stil,
als het ijzig wordt en kil
denk ik aan de wereldboom
Yggdrasil.

Alles, alles wat er is
groeide uit het grote niks
waar ik in val als ik slaap:
Ginnunga-gaap.

© Judy Elfferich

De inktvis

Inktvis-zelfportret - foto: Arne Hendriks @ Flickr, CC by (bewerkt door JudyElf)

Op sterren mikt hij met zijn inkt,
uit wat hem lief is zuigt hij bloed
dat hij verrukt en gretig drinkt:
ikzelf ben ’t gedrocht dat zo doet.

Guillaume Apollinaire (1880-1918) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

LE POULPE

Jetant son encre vers les cieux,
Suçant le sang de ce qu’il aime
Et le trouvant délicieux,
Ce monstre inhumain, c’est moi-même.

De Stapelgekko

Stapelgekko door JudyElf, CC by-nc-sa

Dit dier is dol op oud papier.
Hij wordt niet vaak gezien
maar af en toe gehoord
in muffe rommelkasten.

Geritsel en gesmak:
hij zet zijn leesbril op,
verknaagt een krantenkop
en kauwt de snippers fijn.

Hij bouwt op zijn gemak
een nest van paperassen.

En soms hoor je hem gapen.
Dit beest wil weinig licht,
hij zet zijn leesbril af
voor lange winterslapen.

Dus doe hem een plezier
en laat die dozen dicht.

Als niks zijn rust verstoort
dan legt hij heel misschien
een maf gefrommeld ei
en komt er weer een Stapelgekko bij.

© Judy Elfferich

Wilgenmagie

wilgenprieel - foto: Glamhag @ Flickr, CC by-nc-sa

Hang je zorgen aan de wilgen,
vlecht ze in de takken vast
met voor alle zekerheid
bovenop een dikke knoop.

Snij een wilgenhouten fluit.
Blaas je last en narigheid
een-twee-drie de wereld uit.

Ga op zoek naar wilgentenen,
lang en dun, een hele hoop.
Kies een plek en steek ze daar
in een cirkel in de grond.

Vlecht naar boven in het rond,
bind de punten bij elkaar.
Knip een deur en knip een raam.

Stap naar binnen. Bijna klaar…
Geef je hut van levend hout
een geheime tovernaam.

© Judy Elfferich

Niet mijn humor

Niet mijn humor

Vroeger viel er soms nog wat te lachen.
Vroeger snapte ik hun grappen
en zij snapten die van mij.
Tegenwoordig lijkt het meer op pesterij.

Moet je nou weer komen kijken
naar ’t gezicht van ouwe lappen
dat ze opgehangen hebben op mijn deur.
En op de spiegel van de kapper
en op die op de wc.
Net mijn oma; pfoe, die had me een humeur…
Ga ik soms al op haar lijken? Leuk idee.

Ze draaien aldoor André Rieu.
Die muziek vind ik zo sneu,
van die vent word ik zo akelig en wee
als van opgewarmde aardappelpuree.
Als ik vraag om droge sherry
krijg ik laffe lauwe thee
of advocaatjes, getverderrie.

Dat bezoek ben ik ook beu.
Waarom komt iedereen verkleed?
Heb ik ergens iets gemist?
En waarom aldoor die quiz
of ik weet wie Dinges is en hoe die heet?
Hahaha, ze heeft het mis.
Nee, die humor is niet echt aan mij besteed.

© Judy Elfferich

Als

lindebloesem

Onder de linden kwam ik je tegen,
onder de linden keek je me aan –
Als ik toen niet de hik had gekregen
had ik gevraagd: ‘Wil jij met me gaan?’

Met wat geluk zal ik je weer vinden,
met wat geluk vang ik weer je blik.
Maar als ik bloesem ruik van een linde
krijg ik gelijk ongelooflijk de hik.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 12, ‘Van de bomen & het bos’.

 

 

Lentedroom

ijsbloemen

Ik droomde van bonte bloemen
zoals ze in bloei staan in mei;
ik droomde van groene weiden
en vrolijke vogelstampij.

En toen de hanen kraaiden
zodat ik wakker schoot,
was alles koud en donker
en kraste een raaf in de goot.

Maar wie o wie penseelde
die blaadjes daar op de ruit?
Jij grinnikt vast om zo’n dromer:
geen bloemknop komt ’s winters uit.

Ik droomde van wederliefde
en van een mooie meid,
van vrijen en van zoenen,
verrukking en zaligheid.

Het kraaien van de hanen
ontnuchterde mijn hart.
Hier zit ik in mijn eentje
en peins, door mijn droom verward.

Ik sluit maar weer mijn ogen,
nog klopt mijn hart zo warm.
Wanneer gaan ijsbloemen bloeien?
Wanneer ligt mijn lief in mijn arm?

Wilhelm Müller (1794-1827) | © vertaling: Judy Elfferich

De oorspronkelijke tekst:
.

Nominatie Nederland Vertaalt 2019.
Alle genomineerde vertalingen D-N: klik.

.

FRÜHLINGSTRAUM
(no. 11 uit Die Winterreise van Franz Schubert)

Ich träumte von bunten Blumen,
So wie sie wohl blühen im Mai;
Ich träumte von grünen Wiesen,
Von lustigem Vogelgeschrei.

Und als die Hähne krähten,
Da ward mein Auge wach;
Da war es kalt und finster,
Es schrieen die Raben vom Dach.

Doch an den Fensterscheiben,
Wer malte die Blätter da?
Ihr lacht wohl über den Träumer,
Der Blumen im Winter sah?

Ich träumte von Lieb’ um Liebe,
Von einer schönen Maid,
Von Herzen und von Küssen,
Von Wonne und Seligkeit.

Und als die Hähne krähten,
Da ward mein Herze wach;
Nun sitz’ ich hier alleine
Und denke dem Traume nach.

Die Augen schließ’ ich wieder,
Noch schlägt das Herz so warm.
Wann grünt ihr Blätter am Fenster?
Wann halt’ ich mein Liebchen im Arm?

.

Over Die Winterreise