Bij een Barbadiaanse baai

Hangmat

Bij een Barbadiaanse baai
staan twee Barbadiaanse bomen.
Aan die Barbadiaanse bomen
hangt een Barbadiaanse hangmat.
In die Barbadiaanse hangmat
drinkt een heer, zeer in zijn hum,
uit een Barbadiaanse beker
thee met Barbadiaanse rum.

(Als hij straks gaat pootjebaden
spoelt hij rustig en bedaard
alle rum die hij gemorst heeft
uit zijn Barbadiaanse baard.)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 8, ‘Het Wereldnummer’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 8, ‘het wereldnummer’.

 

 

Tegen vergetelheid

Viktor Hartmann

Vriendlief, wat mis ik je…
Viktor, mijn zielsverwant
Dooft jouw gedachtenis uit
Als ik sterf?

Nee! Ik, Modest, geef als
Hyperromanticus
Weerklank voor eeuwen
Aan jou en je verf

© Judy Elfferich

.
Dit ollekebolleke gaat over De Schilderijen­tentoonstelling van Modest Moessorgski. In 1974 componeerde hij deze suite, na het bekijken van een overzichts­expositie van de overleden schilder Viktor Hartmann.

Met schrijfcursisten uit Eindhoven doe ik mee aan het woord-en-beeld-bij-muziek-project ‘Op en Top Romantiek’ van Orkest Zuid en Griet Menschaert. Ter inspiratie woonden we een orkest­repetitie bij. De teksten komen in een boekje, dat verkrijgbaar zal zijn bij uitvoering op 23 juni 2018.

Over ‘Op en Top Romantiek’

De Wollefop

De Wollefop wist niet zo goed
wat hij van zichzelf moest maken.

Is dus zomaar wat gaan haken, babyblauw
breide hij er beetjes bij, knoopte eindjes aan elkaar,
punnikte een flinke staart.

Maar soms liet hij steken vallen, raadselblauw
raakte er een draadje los, of er kwam een mot voorbij
die een hap nam uit z’n vacht.

En een keer werd hij gewassen, zeeziekblauw
in het veel te hete sop… Toen wist hij het echt niet meer,
voelde zich een prullig vod.

Hingen ze hem kletsnat op, bibberblauw
met een knijper aan z’n oor. Is hij van de lijn gewaaid,
vloog over de hoogste daken

tot hij neerkwam voor mijn deur, wazigblauw
lag hij zielig in de prut. Dus maar zacht voor hem gezongen,
hem voorzichtig uitgewrongen.

Kijk, hij krijgt alweer wat kleur, knipoogblauw
glimt z’n opgelapte snuit. Alle rafels vastgenaaid,
vale plekken weggeaaid.

Vraagt vergeet-me-nietjes-blauw: ‘Blijven slapen?’
Eindelijk weet hij wat hij wou,
de Wollefop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 7, ‘Blauw’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 7, ‘Blauw’.

 

 

MIRAKELS! riep de dominee

.
MIRAKELS! riep de dominee. Zojuist keek ik naar boven:
de perenboom hangt vol met fruit, dat wordt een rijke oogst!
Aha, zeiden de dames Groen, die peren gaan wij stoven.
Wat zijn ze dik! En kijk, de allerdikste hangt het hoogst.

Kom op, we gaan ze plukken voor ze op de grond belanden.
Zeg juffrouw schaap Veronica, loopt u es naar de schuur…
Daar moet een grote trapleer staan, en ook een stapel manden.
De dominee klom in de boom en keek over de muur.

Verroest! sprak hij. Het allersappigst ooft is reeds gevallen:
dat ligt aan gene zijde, op ’t gazon van buurman Jan.
Komt, laat ons onverwijld dat valfruit rapen met z’n allen,
die peren kunnen dadelijk als eersten in de pan.

Hij liet zich langs de takken zachtjes in de buurtuin zakken –
Toen hoorden ze: Wat moet dat daar? Hup, wegwezen, en gauw!
Ik laat Diablo los, die komt je bij je lurven pakken!
Ocharm, zeiden de dames Groen, Diablo lust hem rauw.

Die vloer ik! riep Veronica. Ze ging verwoed aan ’t plukken,
de bloedhond kreeg een perenspervuur naar z’n valse kop.
Het monster plofte om en buurman Jan vergat te bukken…
De dominee ontsnapte en sprak dankbaar: Dat lucht op.

Weg oogst, zeiden de dames Groen. De stoofpan blijft dus leeg.
Maar kijk, er zijn nog vruchtenkoekjes, van ons eigen deeg.

© Judy Elfferich

.
Meer schaap-Veronica-verzen

De krokodil

.
Krokedook

Geen ondier waar ik zo van ril
als Krokedook, de krokodil.
Op zaterdag stopt hij als snack
zes malse kinderen in zijn bek.
Een meid lust ie, een jongen ook;
graag drie van allebei voor Krook.
Hij pakt de mosterd (pittig spul)
en smeert een lik op elke knul.

Pikante mosterd past niet echt
bij meidenstaart en meidenvlecht.
Maar zalig smaken meiden wel
met toffee en met karamel.
De jongens scherp, de meiden zoet:
iets wat je zeker proeven moet.
Dat is wat Kroko ervan vindt –
en die eet dus al jaren kind.

Zo. Welterusten, uit dat licht.
Doe jij maar fijn je ogen dicht…
Sst. Luister eens en zet je schrap:
wat stommelt daarzo langs de trap?
Op slot die deur, pak m’n geweer!
Schiet op, hij gaat enorm tekeer!
Nee stop! Daar is ie! Opgepast!
Die glibberige groene bast!
Die grijns, die tanden wit en kil!
’t Is Krokedook, de krokodil!

Roald Dahl (1916-1990) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: klik.

HÈ NEE, zei ’t schaap Veronica

.
HÈ NEE, zei ’t schaap Veronica, nou wil ik niet meer toepen!
De winter is voorbij, ik heb genoeg van dat getoep.
Naar buiten wil ik, naar ’t plantsoen, want ik wil hoelahoepen!
Toe dominee, maakt u voor mij een nieuwe hoelahoep?

Hè ja, zeiden de dames Groen, dat willen wij ook leren.
Het is een raazje deze lente, iedereen doet mee…
Je krijgt het op je heupen en dan móét je het proberen.
Toe, maakt u ook voor ons zo’n hoelahoepding, dominee?

De dominee zei: Gaarne zal ik zulks voor u fabrieken.
Ik knip wat van de tuinslang af met deze grote tang –
ziehier uw hoelahoeps! Me dunkt, het zijn twee hele sjieke.
De tuinslang is nu wel wat kort, maar eerst was ie te lang.

De dames Groen die oefenden totdat ze niet meer konden
en hijgden uit op ’t bankje bij de vijver in het park.
Zo, zeiden ze. We voelden ze eraf vliegen, de ponden!
Dit werkt veel beter dan zo’n saai dieet met enkel kwark.

Veronica riep: Ik hou vol, ik kan ’t gewoon niet laten!
En ja hoor, hoelahoepend liep ze heel de weg terug.
Er werd gewoven en geklapt langs stoepen en langs straten,
er werd getingeld door de ijskar ginder bij de brug.

Hè ja, een ijsje, zei het schaap. Een reuzegoed idee!
Zeg lieve slanke dames Groen, u lust er vast wel twee?

© Judy Elfferich

.
Meer schaap-Veronica-verzen

De Warbels

(The Jumblies)

The Jumblies, getekend door Edward Lear zelf

I
Ze gingen naar zee in een zeef, jawel,
in een zeef al naar de zee.
Hun vrienden vonden ’t ondoordacht
maar bij winters weer en bij windkracht acht
gingen zij in een zeef naar zee!
En toen de zeef aan ’t tollen sloeg
en iedereen riep: ‘Nu is ’t genoeg!’
riepen zij: ‘Goed, groot is hij niet,
maar dat maakt ons geen sikkepit uit, geen biet!
In een zeef gaan wij naar zee!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

II
Ze zeilden weg in een zeef, jawel,
in een zeef, heel enthousiast.
Door stormwinden voortgejaagd, mijl na mijl,
met enkel een grasgroene sjaal als zeil
en een pijp bij wijze van mast.
En iedereen zei, die hen zag gaan:
‘O hemeltjelief, ze gaan eraan!
Want de reis is lang en pikzwart is het zwerk,
zo’n zeefvaart is echt onbegonnen werk:
o hou je hart toch vast!’
    Wie weet waar, wie weet waar
    toch het volk van de Warbels leeft?
    Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
    en ze gingen naar zee in een zeef.

III
Het water liep gauw erin, jawel,
het water liep gauw erin.
Dus ze vouwden roze vloeipapier
om hun voeten, keurig en zonder kier,
en dat speldden ze vast aan hun kin.
En ze sliepen ’s nachts in een pot van steen,
‘Wat slim hè?’ zeiden ze een voor een.
‘Hoe lang ook de reis en hoe zwart het zwerk,
dat de zeefvaart slecht afloopt dat lijkt ons sterk…

Lees verder

Edward Lear (1812-1888) | © vertaling: Judy Elfferich