De Hebbedinges

Vlinderdingen, collectie Deventer Musea - animatie: JudyElf, CC by-sa

De Hebbedinges zocht iets
voor zijn verzameling.
We hielden een vergadering
en iedereen die kocht iets:

een vingerling, een rammelkast,
een tierlantijn, een rarekiek,
een janplezier, een beddenkwast,
een filippien, een wentelwiek.

Hij pakte alles uit en zei:
‘Er is heus heel veel aardigs bij
maar ik zoek toch een ander ding
voor mijn verzameling.’

We waren even sprakeloos.
Toen riepen we: ‘Wat wil je dán?
Een manebril, een mallejan,
een alikruik, een kraakdoos?’

‘Nee’, zei de Hebbedinges bits.
‘Maar zie je ooit een greintje,
een zier, een snars of sikkepit,
geef mij dan gauw een seintje.’

© Judy Elfferich

In Leestekenland

Bebloede puntkomma - foto (fragment sculptuur Joan Brossa): David Gomez @ Wikimedia Commons, CC by-sa (bewerkt door JudyElf, o.a. toevoeging bloedspatten)

Leestekenland kan niet meer bogen
op een volmaakte maatschappij.

De komma en de punt betogen:
‘Puntkommavolk draagt nooit wat bij!’

Meteen vormt zich een actiefront:
de Weg-met-de-puntkomma-bond.

De vraagtekens zijn weggeslopen,
die houden graag hun opties open.

Snel smoort men tussen accolades
’t gekreun en de jeremiades

van de puntkomma’s, en met haken
voorkomt men dat ze stennis maken.

Dan komt het minteken, en baf!
– het trekt ze van het leven af.

De vraagtekens zijn terug en kijken
hoofdschuddend naar de verse lijken.

Maar ai! de strijd is niet gedaan:
gedachtestreep valt komma aan –

en snijdt hem snoeihard door de hals
zodat hij – na onthoofding – als

puntkomma, dodelijk verwond,
zijn bloed mengt met die op de grond.

Men draagt de beide typen stakkers
in stilte naar de dodenakker.

Wat rest van de gedachtestreepjes
sluit zwijgzaam aan, met zwarte sleepjes.

Het uitroepteken preekt van vrede,
dubbelepunt deelt pepermunt;

bevrijd van komma-achtigheden
sjokt men naar huis: streep, punt, streep, punt…

Christian Morgenstern (1871-1914) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

IM REICH DER INTERPUNKTIONEN

Im Reich der Interpunktionen
nicht fürder goldner Friede prunkt:

Die Semikolons werden Drohnen
genannt von Beistrich und von Punkt.

Es bildet sich zur selben Stund’
ein Antisemikolonbund.

Die einzigen, die stumm entweichen,
(wie immer), sind die Fragezeichen.

Die Semikolons, die sehr jammern,
umstellt man mit geschwungnen Klammern,

und setzt die so gefangnen Wesen
noch obendrein in Parenthesen.

Das Minuszeichen naht und – schwapp!
Da zieht es sie vom Leben ab.

Kopfschüttelnd blicken auf die Leichen
die heimgekehrten Fragezeichen.

Doch, wehe! neuer Kampf sich schürzt:
Gedankenstrich auf Komma stürzt –

und fährt ihm schneidend durch den Hals –
bis dieser gleich – und ebenfalls

(wie jener mörderisch bezweckt)
als Strichpunkt das Gefild bedeckt!…

Stumm trägt man auf den Totengarten
die Semikolons beider Arten.

Was übrig von Gedankenstrichen,
kommt schwarz und schweigsam nachgeschlichen.

Das Ausrufszeichen hält die Predigt;
das Kolon dient ihm als Adjunkt.

Dann, jeder Kommaform entledigt,
stapft heimwärts man, Strich, Punkt, Strich, Punkt…

Bij een Barbadiaanse baai

Hangmat

Bij een Barbadiaanse baai
staan twee Barbadiaanse bomen.
Aan die Barbadiaanse bomen
hangt een Barbadiaanse hangmat.
In die Barbadiaanse hangmat
drinkt een heer, zeer in zijn hum,
uit een Barbadiaanse beker
thee met Barbadiaanse rum.

(Als hij straks gaat pootjebaden
spoelt hij rustig en bedaard
alle rum die hij gemorst heeft
uit zijn Barbadiaanse baard.)

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 8, ‘Het Wereldnummer’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 8, ‘het wereldnummer’.

 

 

Tegen vergetelheid

Viktor Hartmann

Vriendlief, wat mis ik je…
Viktor, mijn zielsverwant
Dooft jouw gedachtenis uit
Als ik sterf?

Nee! Ik, Modest, geef als
Hyperromanticus
Weerklank voor eeuwen
Aan jou en je verf

© Judy Elfferich

.
Dit ollekebolleke gaat over De Schilderijen­tentoonstelling van Modest Moessorgski. In 1974 componeerde hij deze suite, na het bekijken van een overzichts­expositie van de overleden schilder Viktor Hartmann.

Met schrijfcursisten uit Eindhoven doe ik mee aan het woord-en-beeld-bij-muziek-project ‘Op en Top Romantiek’ van Orkest Zuid en Griet Menschaert. Ter inspiratie woonden we een orkest­repetitie bij. De teksten komen in een boekje, dat verkrijgbaar zal zijn bij de uitvoering op 23 juni 2018.

Over ‘Op en Top Romantiek’

De Wollefop

De Wollefop wist niet zo goed
wat hij van zichzelf moest maken.

Is dus zomaar wat gaan haken, babyblauw
breide hij er beetjes bij, knoopte eindjes aan elkaar,
punnikte een flinke staart.

Maar soms liet hij steken vallen, raadselblauw
raakte er een draadje los, of er kwam een mot voorbij
die een hap nam uit z’n vacht.

En een keer werd hij gewassen, zeeziekblauw
in het veel te hete sop… Toen wist hij het echt niet meer,
voelde zich een prullig vod.

Hingen ze hem kletsnat op, bibberblauw
met een knijper aan z’n oor. Is hij van de lijn gewaaid,
vloog over de hoogste daken

tot hij neerkwam voor mijn deur, wazigblauw
lag hij zielig in de prut. Dus maar zacht voor hem gezongen,
hem voorzichtig uitgewrongen.

Kijk, hij krijgt alweer wat kleur, knipoogblauw
glimt z’n opgelapte snuit. Alle rafels vastgenaaid,
vale plekken weggeaaid.

Vraagt vergeet-me-nietjes-blauw: ‘Blijven slapen?’
Eindelijk weet hij wat hij wou,
de Wollefop.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 7, ‘Blauw’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 7, ‘Blauw’.

 

 

MIRAKELS! riep de dominee

.
MIRAKELS! riep de dominee. Zojuist keek ik naar boven:
de perenboom hangt vol met fruit, dat wordt een rijke oogst!
Aha, zeiden de dames Groen, die peren gaan wij stoven.
Wat zijn ze dik! En kijk, de allerdikste hangt het hoogst.

Kom op, we gaan ze plukken voor ze op de grond belanden.
Zeg juffrouw schaap Veronica, loopt u es naar de schuur…
Daar moet een grote trapleer staan, en ook een stapel manden.
De dominee klom in de boom en keek over de muur.

Verroest! sprak hij. Het allersappigst ooft is reeds gevallen:
dat ligt aan gene zijde, op ’t gazon van buurman Jan.
Komt, laat ons onverwijld dat valfruit rapen met z’n allen,
die peren kunnen dadelijk als eersten in de pan.

Hij liet zich langs de takken zachtjes in de buurtuin zakken –
Toen hoorden ze: Wat moet dat daar? Hup, wegwezen, en gauw!
Ik laat Diablo los, die komt je bij je lurven pakken!
Ocharm, zeiden de dames Groen, Diablo lust hem rauw.

Die vloer ik! riep Veronica. Ze ging verwoed aan ’t plukken,
de bloedhond kreeg een perenspervuur naar z’n valse kop.
Het monster plofte om en buurman Jan vergat te bukken…
De dominee ontsnapte en sprak dankbaar: Dat lucht op.

Weg oogst, zeiden de dames Groen. De stoofpan blijft dus leeg.
Maar kijk, er zijn nog vruchtenkoekjes, van ons eigen deeg.

© Judy Elfferich

.
Meer schaap-Veronica-verzen

De krokodil

.
Krokedook

Geen ondier waar ik zo van ril
als Krokedook, de krokodil.
Op zaterdag stopt hij als snack
zes malse kinderen in zijn bek.
Een meid lust ie, een jongen ook;
graag drie van allebei voor Krook.
Hij pakt de mosterd (pittig spul)
en smeert een lik op elke knul.

Pikante mosterd past niet echt
bij meidenstaart en meidenvlecht.
Maar zalig smaken meiden wel
met toffee en met karamel.
De jongens scherp, de meiden zoet:
iets wat je zeker proeven moet.
Dat is wat Kroko ervan vindt –
en die eet dus al jaren kind.

Zo. Welterusten, uit dat licht.
Doe jij maar fijn je ogen dicht…
Sst. Luister eens en zet je schrap:
wat stommelt daarzo langs de trap?
Op slot die deur, pak m’n geweer!
Schiet op, hij gaat enorm tekeer!
Nee stop! Daar is ie! Opgepast!
Die glibberige groene bast!
Die grijns, die tanden wit en kil!
’t Is Krokedook, de krokodil!

Roald Dahl (1916-1990) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht: klik.