Alsmaar

(de Piepzakblues)

nachtlamp

Als ik nou eerst maar
een beetje kon slapen
want morgen dan moet ik

Maar als er aldoor
en zou de wekker wel
stel dat de bus niet
en dat ik te laat

Maar als daar geen lift is
en hoe moet ik weten
waar of ik naartoe

Waar had ik dat briefje
want daar staat het op

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

En als ik moet wachten
kan ik dan zolang wel

Maar als ze vergeten
of als ik niet hoor

Of als ze weer zeggen
nee eerst formulieren
die dinges moet over
wat ik niet verstaan heb

Die andere pillen
m’n leesbril de zak van
m’n andere jas

Als maar niet die ene
die vorige keer zei

En dat alle anderen
dat die dan zo kijken

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Als ik nou morgen
als ik aan de beurt ben

Als het maar niet weer
zo vreselijk pijn doet
en als ik maar snap

Maar als het een man is
dan kan ik niet zeggen
dan ga ik niet vragen
dan hou ik m’n mond maar

En wat als het mis is
hoe moet het dan verder

Als ik ga janken
dan moet ik een zakdoek
de dinges de zak van
m’n andere jas

    Alsmaar dat neuriën
    alsmaar hetzelfde
    de Piepzakblues

Morgen dan moet ik
dus als ik nou eerst maar

© Judy Elfferich
.

Dit gedicht staat in Ziekelijk bang. Angst in fictie (symposiumbundel Literatuur & Geneeskunde, VUmc 2017).

Verre landen

Jessie Willcox Smith, Foreign lands
Groot, die kersenboom, en dik.
Wie erin klom? Ja hoor, ik!
Mijn armen stevig om de stam,
ik keek zo ver als ik nooit kwam.

Ik zag de buurtuin van heel hoog,
een bloemenpracht kreeg ik in ’t oog.
En nog meer moois kwam voor de dag
dat ik niet kende of ooit zag.

Ik zag de lucht weerspiegeld in
rivierenblauwe kronkeling;
het stoffig stuiven, heen en weer,
van wegen met hun druk verkeer.

Als ik een hogere klimboom vond
zag ik nog verder in het rond,
tot daar waar de rivier volgroeid
in heel de zee vol schepen vloeit.

Tot waar de weg aan elke kant
nog doorloopt tot in sprookjesland,
waar elk op tijd aan tafel gaat
en al je speelgoed met je praat.

Robert Louis Stevenson (1850-1894) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

FOREIGN LANDS

Up into the cherry tree
Who should climb but little me?
I held the trunk with both my hands
And looked abroad on foreign lands.

I saw the next-door garden lie,
Adorned with flowers, before my eye,
And many pleasant places more
That I had never seen before.

I saw the dimpling river pass
And be the sky’s blue looking-glass;
The dusty roads go up and down
With people tramping in to town.

If I could find a higher tree
Farther and farther I should see,
To where the grown-up river slips
Into the sea among the ships,

To where the roads on either hand
Lead onward into fairy land,
Where all the children dine at five,
And all the playthings come alive.

Ecce puer

Born, died

Een kind komt voort
uit zwart weleer.
Droef, blij – verward
gaat mijn hart tekeer.

De levende ligt
er vredig bij.
Ontsluit zijn ogen
met medelij!

In jonge adem
op spiegelglas
geschiedt de wereld
die niet was.

Kind dat ik koester:
oud man die ik mis.
U, vader, verliet ik…
Vergiffenis!

James Joyce (1882-1941) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2017, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen E-N: klik.
Kleine Weense wals, mijn inzending S-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

.

Over Ecce puer

Gelukkig maakt de liefde niet

gevelsteen Lyon - foto: Xavier Caré @ Wikimedia Commons, CC by-sa, bewerkt door JudyElf
Niets hoort er ooit voorgoed en werkelijk bij jou
Je kracht je zwakte en je hart alleen maar schijn
Met open armen blijkt je schim een kruis te zijn
Je koestert je geluk en knijpt het daardoor fijn
Het leven zet je telkens lelijk in de kou
    Gelukkig maakt de liefde niet

Het leven lijkt wel zo’n soldaat zonder geweer
Voor heel iets anders ooit bestemd en toegerust
Die zinloos elke morgen opstaat plichtbewust
’s Nachts onverrichter zake weerkeert uitgeblust
Dus lieveling zing mij maar na en huil niet meer
    Gelukkig maakt de liefde niet

Mijn mooie lief mijn harteschram mijn harteschrijn
Als een gewonde mus draag ik je in me mee
En ieder die ons ziet heeft daarvan geen idee
Maar zingt toch de door mij gevlochten woorden mee
Dat voor jouw grote ogen snel gesneefd refrein
    Gelukkig maakt de liefde niet

De tijd dat je zou leren leven vloog voorbij
Hoe huilen in de nacht dat hart van mij en jou
Wat kost een simpel lied aan treurnis en berouw
Een rilling van genot aan spijt om kwade trouw
Een wijsje op gitaar aan snikken en geschrei
    Gelukkig maakt de liefde niet

Geen liefde die niet pijnlijk en ondraaglijk wordt
Geen liefde die niet kwetst geen liefde die niet sloopt
Geen liefde die niet alles van zijn bloem berooft
Je vaderland jouzelf en wat je had gehoopt
Geen liefde die niet leeft van tranen die je stort
    Gelukkig maakt de liefde niet
    Maar dit is onze liefde en ons lied

Louis Aragon (1897-1982) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2017, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen F-N: klik.
Kleine Weense wals, mijn inzending S-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

IL N’Y A PAS D’AMOUR HEUREUX

Rien n’est jamais acquis à l’homme Ni sa force
Ni sa faiblesse ni son coeur Et quand il croit
Ouvrir ses bras son ombre est celle d’une croix
Et quand il croit serrer son bonheur il le broie
Sa vie est un étrange et douloureux divorce
    Il n’y a pas d’amour heureux

Sa vie Elle ressemble à ces soldats sans armes
Qu’on avait habillés pour un autre destin
A quoi peut leur servir de se lever matin
Eux qu’on retrouve au soir désoeuvrés incertains
Dites ces mots Ma vie Et retenez vos larmes
    Il n’y a pas d’amour heureux

Mon bel amour mon cher amour ma déchirure
Je te porte dans moi comme un oiseau blessé
Et ceux-là sans savoir nous regardent passer
Répétant après moi les mots que j’ai tressés
Et qui pour tes grands yeux tout aussitôt moururent
    Il n’y a pas d’amour heureux

Le temps d’apprendre à vivre il est déjà trop tard
Que pleurent dans la nuit nos coeurs à l’unisson
Ce qu’il faut de malheur pour la moindre chanson
Ce qu’il faut de regrets pour payer un frisson
Ce qu’il faut de sanglots pour un air de guitare
    Il n’y a pas d’amour heureux

Il n’y a pas d’amour qui ne soit à douleur
Il n’y a pas d’amour dont on ne soit meurtri
Il n’y a pas d’amour dont on ne soit flétri
Et pas plus que de toi l’amour de la patrie
Il n’y a pas d’amour qui ne vive de pleurs
    Il n’y a pas d’amour heureux
    Mais c’est notre amour à tous deux

.

Over Louis Aragon
Over Il n’y a pas d’amour heureux

In en om de wachttoren

(All along the watchtower)

Wassily Kandinsky, Twee ruiters voor een rode achtergrond

‘Er moet hier toch een uitweg zijn’, zegt de nar tegen de dief
‘Kan al die verwarring wat minder alsjeblief?
Koopman slempt mijn kelder leeg, bouwman rooit mijn land
Hoe je echte waarde weegt, breng je hun nooit aan het verstand’

‘Ach, maak je er maar niet druk om’, antwoordt de dief bedaard
‘Menigeen hier vindt het leven alleen als grap de moeite waard
Maar jij en ik zijn daarmee klaar, en ons lot is niet dit
Dus laten we reëel zijn nou, aan ’t einde van de rit’

In en om de wachttoren vorsten, steeds paraat
Het vrouwvolk loopt er af en aan, voetvolk komt en gaat
Buiten gromt een roofdier dat zich ginds verschuilt
Twee ruiters komen nader, de wind vlaagt aan en huilt

Bob Dylan | © vertaling: Judy Elfferich

Dit was de vertaalopgave voor scholieren bij Nederland Vertaalt 2017 (juryrapport: klik). Ik wil er misschien een keer een les aan wijden en heb daarom zelf alvast een poging gedaan.
Dylan speelt hier met perspectief. Heeft hij zich – behalve door o.a. Jesaja 21 – laten inspireren door M.C. Eschers litho Belvédère? Ook dit lied is een ‘onmogelijk bouwsel’, een binnenste­buiten­puzzel.

Over All along the watchtower
Over Belvédère

Kleine Weense wals

.
Egon Schiele, dubbel zelfportret (1915)

In Wenen daar vind je tien meisjes,
een schouder waarop de dood uithuilt
en een woud vol verschrompelde duiven.
Er ligt een scherf, een schilfertje morgen
in het museum van vorst en ijzel.
Er is een zaal met duizend ramen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals met je lippen verzegeld.

Deze wals, deze wals, deze wals
van ja, van dood en van cognac
die zijn staart onderdompelt in zee.

Ik wil je, ik wil je, ik wil je
met de luie stoel en het dode boek,
door het melancholieke portaal,
op de donkere leliënzolder,
in ’t bed waarin de maan ons spiegelt
en in de dansdromerij van de schildpad.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals waar je middel van knakt.

In Wenen daar vind je vier spiegels
waar je mond en de echo’s in spelen.
Er is daar een dood voor piano
die de jongens met blauwe verf inkleurt.
Er zijn bedelaars op de daken.
Er zijn verse bloemslingers van tranen.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals die bezwijkt in mijn armen.

Want ik wil je, ik wil je, mijn liefste
op de zolder waar de kinderen spelen,
in dromen vol oud Hongaars lamplicht
door het rumoer van de lauwwarme avond,
in beelden van schapen en lelies van sneeuw
over je voorhoofds donkere stilte.
    Ach, ach en wee!
Dans deze wals van ik-wil-je-altijd.

In Wenen zal ik met je dansen
met een masker op waar
een rivier in ontspringt.
Kijk, ik heb oevers aan vol hyacinten!
Mijn mond laat ik achter tussen je benen,
mijn ziel in foto’s en witte lelies,
en ’t donkere kielzog van jouw passen
daaraan, mijn liefste, mijn liefste, vermaak ik
viool en tombe, de linten der wals.

Federico García Lorca (1898-1936) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Nominatie Nederland Vertaalt 2017.
Alle genomineerde vertalingen S-N: klik.
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

PEQUEÑO VALS VIENES

En Viena hay diez muchachas,
un hombro donde solloza la muerte
y un bosque de palomas disecadas.
Hay un fragmento de la mañana
en el museo de la escarcha.
Hay un salón con mil ventanas.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals con la boca cerrada.

Este vals, este vals, este vals,
de sí, de muerte y de coñac
que moja su cola en el mar.

Te quiero, te quiero, te quiero,
con la butaca y el libro muerto,
por el melancólico pasillo,
en el oscuro desván del lirio,
en nuestra cama de la luna
y en la danza que sueña la tortuga.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals de quebrada cintura.

En Viena hay cuatro espejos
donde juegan tu boca y los ecos.
Hay una muerte para piano
que pinta de azul a los muchachos.
Hay mendigos por los tejados.
Hay frescas guirnaldas de llanto.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals que se muere en mis brazos.

Porque te quiero, te quiero, amor mío,
en el desván donde juegan los niños,
soñando viejas luces de Hungría
por los rumores de la tarde tibia,
viendo ovejas y lirios de nieve
por el silencio oscuro de tu frente.
    ¡Ay, ay, ay, ay!
Toma este vals del ‘Te quiero siempre’.

En Viena bailaré contigo
con un disfraz que tenga
cabeza de río.
¡Mira qué orillas tengo de jacintos !
Dejaré mi boca entre tus piernas,
mi alma en fotografías y azucenas,
y en las ondas oscuras de tu andar
quiero, amor mío, amor mío, dejar,
violín y sepulcro, las cintas del vals.

Dus we gaan niet meer uit dwalen

Lord Byron op zijn sterfbed, door Joseph Odevaere

Dus we gaan niet meer uit dwalen
tot in de late nacht,
ook al blijft het hart aanhalig
en vertoont de maan haar lach.

Want het zwaard verslijt zijn schede
en de ziel verslijt de bast,
en het hart raakt moegestreden
en liefde zelf wordt last.

Ook al stemt de nacht aanhalig
en kraait veel te vroeg de haan,
we gaan toch niet meer uit dwalen
bij het licht van de maan.

Lord Byron (1788-1824) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

SO WE’LL GO NO MORE A-ROVING

So we’ll go no more a-roving
So late into the night,
Though the heart be still as loving
And the moon be still as bright.

For the sword outwears its sheath,
And the soul wears out the breast,
And the heart must pause to breathe,
And Love itself have rest.

Though the night was made for loving,
And the day returns too soon,
Yet we’ll go no more a-roving
By the light of the moon.

Ons valt niks te verwijten

.
Een liedje uit 1963 van kersverse Nobelprijswinnaar Bob Dylan.
Hij speelt erin met Who killed Cock Robin?, een bekend kinderrijmpje.

Zelf zei hij erover:
This is a song about a boxer…
It’s got nothing to do with boxing; it’s just a song about a boxer really. And, uh, it’s not even having to do with a boxer, really. It’s got nothing to do with nothing.
But I fit all these words together, that’s all… It’s taken directly from the newspapers, nothing’s been changed… except for the words.

Hier in een remix door Colin Munroe, en verbeeld door Josh Lyon.

Leesversie
Ontstaansgeschiedenis
Over de dood van bokser Davey Moore
Over Who killed Cock Robin?

Schotel schotel schotel, schotel-tv

.
Kinderversje van de Hongaarse dichter János Lackfi, gebeatboxt door rapper Pista Busa en verbeeld door animator Pétér Vácz:


.

SCHOTEL

Schotel schotel schotel,
schotel-tv.
Gaan we kijken?
Goed idee!

Schotel schotel schotel,
voetbalmatch.
Goal! Slow motion,
knie gekwetst.

Schotel schotel schotel,
reclamespot.
Antirimpel,
kóóp zo’n pot!

Schotel schotel schotel,
kluis gekraakt.
Boem! Miljoenen
buitgemaakt.

Schotel schotel schotel,
sterartiest.
Billen swingen
op de beat.

Schotel schotel schotel,
onverwachts
aliens in je
dromen ’s nachts!

János Lackfi | © vertaling: Judy Elfferich
.

Engelse versie van het filmpje (vertaling: Joseph Wallace): klik.

Het meereiland Innisfree

Bijen

Nu sta ik op en ga ik, ik ga naar Innisfree,
een kleine hut daar bouwen van leem en wilgenteen:
met negen rijen bonen, een bijenkorf of drie
in gonzend veld wonen, heel alleen.

Dan kom ik wat tot rust daar, want rust drupt traag en zoet,
druppelt uit de morgensluiers naar waar de krekel zingt;
de nacht is er vol glinster, de middag paarse gloed,
de avond een en al vlugge vink.

Nu sta ik op en ga ik, want steeds, van vroeg tot laat
hoor ik dat zacht gekabbel van ’t water van het meer;
op grote brede wegen of in een grijze straat
hoor ik het diep in mij, steeds weer.

William Butler Yeats (1865-1939) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

THE LAKE ISLE OF INNISFREE

I will arise and go now, and go to Innisfree,
And a small cabin build there, of clay and wattles made:
Nine bean rows will I have there, a hive for the honey-bee,
And live alone in the bee-loud glade.

And I shall have some peace there, for peace comes dropping slow,
Dropping from the veils of the morning to where the cricket sings;
There midnight’s all a glimmer, and noon a purple glow,
And evening full of the linnet’s wings.

I will arise and go now, for always night and day
I hear lake water lapping with low sounds by the shore;
While I stand on the roadway, or on the pavements grey,
I hear it in the deep heart’s core.