Onder zeil

zeil tegen blauwe lucht

Het allergrootst geluk
is slapen in een bootje

met boven je geflapper
en getingel in de wind,

met verte in je neus,
daar deinen dromen heen;

geschommeld en gesust
als in eerste schemering

toen je moeders buik je wiegde
als ze danste met je vader

en niemand wist van jou
behalve zij alleen.

© Judy Elfferich

.
DICHTER. 14, ‘Geluk’

 

Dit gedicht staat in DICHTER. 14, ‘Geluk’.

 

 

Liefdesbrieven

matroos

In de kast van Godelieve
staat een oude schoenendoos
vol met handgeschreven brieven
van haar vrijer de matroos.

Elke dag geeft zuster Roos
Godelieve één zo’n brief
bij haar kopje middagthee.
Godelieve leest en bloost:

Zul je aan de kade staan
als ik thuiskom, Godeliefste,
meisje mooier dan de maan?

Liefde houdt mijn hart gevangen,
naar jou voel ik een verlangen
dieper dan de oceaan.

Gaan we dansen, zwemmen, zingen
als ik thuiskom? Ga je mee
kijken naar verlovingsringen?

Blozend, blij leest ze de brief
steeds opnieuw van voor af aan.
Heel haar thee is ze vergeten,
Godelieve, smoorverliefd.

Dat haar vrijer de matroos
bijna vijftig jaar geleden
omgekomen is op zee,
daarvan heeft ze geen idee.

© Judy Elfferich

Na mijn tijd

Grafengel - foto: © Judy Elfferich

Jij die nog leeft, die hier loopt langs de graven,
wind door je haren en zon op je huid,
jij die de jaren nog telt en de dagen,
die kunt genieten van vogelgefluit,
ben je gekomen voor mij?

Toen ik begraven werd, was je daarbij?
Wie heeft gezongen en wie heeft gesproken?
Wie hebben mij op hun schouders gedragen?
Wie heeft er op me geproost?

Wie heeft mijn liefste getroost?
Wie heeft mijn dagboek vernietigd?
Wie zijn er bang dat ik bij ze kom spoken?
Wie is nog altijd verdrietig?
Wie zijn mijn naam al vergeten?

Wie heeft mijn wrakke gitaar weggesmeten?
Wie kreeg mijn boeken en platen?
Wie zorgt er nu voor mijn rozen?
Wie fietst er nu in mijn jas door de stad?

Wie laat mijn hond uit en wie aait mijn kat?
Wie staat soms tegen mijn foto te praten?
Wie bewaart al mijn geheimen?
Wie heeft voor mij deze plek uitgekozen?
Wie ligt hier later ooit bij me?

© Judy Elfferich

.
Dit gedicht heb ik gemaakt voor ‘Herinnering Verlicht’, de tweejaar­lijkse avond­herdenking op begraaf­plaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Als een van de Witte Dichters* lees ik het daar voor aan bezoekers die op mijn witte-paraplu-met-lichtje afkomen.

Herinnering Verlicht 2019
Over Allerzielen

*) Witte Dichters is een project van Jos van Hest.

Plantaardige dingen

Grijze robot - fragmented @ Flickr, CC by-nc-nd

JUDY> wat was ook al weer een peer?
BLABLA> een boom is een groot plantaardig ding.
JUDY> een peer is een klein plantaardig ding.
BLABLA> een boom is een groot plantaardig ding.

JUDY> wat groeit er aan een perenboom?
BLABLA> een appel groeit aan een appelboom.
JUDY> aha! en aan wat voor boom groeit een peer?
BLABLA> is dat een raadsel of een mop?!

JUDY> groeien er appels aan een perenboom?
BLABLA> nee, een haring is een vis.
JUDY> ja, een haring is een vis.

BLABLA> een peer is een stukje fruit.
JUDY> een peer is een stukje fruit, een appel ook.
BLABLA> de mensen zoeken het zelf maar uit. een vrucht komt van een boom.

(BlaBla is mijn chatbot.)

Meer dialogen met chatterbots

Man zonder hond

kwijt, illustratie © Kees de Kort (fragment)
fragment illustratie DICHTER. 13 | © Kees de Kort

Bij de vijver in ’t park zie ik iedere keer
die ene meneer.
Gejaagd loopt hij rond en als ik naar hem kijk
komt hij naar me toe.

Dan aait hij Baloe:
‘Ben jij soms mijn hond? Was ik jou misschien kwijt?’

Vandaag in het bos loopt Baloe lekker los,
daar hoor ik geroep.
Diezelfde meneer: ‘Sammy! Boef! Bella! Beer!’
Baloe kijkt niet op.

‘Waar is het asiel? Ben ik daar al geweest?’
En weg is hij weer.

© Judy Elfferich
.
DICHTER. 13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’

 

Dit gedicht staat in DICHTER.13, ‘Te leven en dat leven te vergeten’.