Grey Brother’s song for Mowgli

.
Grijze Broeders lied voor Mowgli, illustratie © Emily Van Overstraeten
© Emily Van Overstraeten, 2e prijs stArt Award 2017

Human arm has cradled you,
human voice sang you to sleep,
red flame-flower kept you warm
Mowgli, until tiger came.

You were reared on wolf milk after
searing flower’s scorching heat
bit into the tiger’s feet:
when we suckled, there was room
to feed you too.

Father wolf and mother wolf
licked you clean with velvet tongues,
living in our cave among us
you became our brother cub.

Mowgli, funny naked frog
without furry coat or tail,
short of snout but nimble-fingered,
panther (who knows humans) paid
a bull for you.

You are not like other creatures:
red spark-flower in your stare
makes us all avert our eyes
Mowgli, master of the fire.

Bear took care of you, he taught you
all the laws and master words,
languages of beasts and birds
and our jungle wisdom, too
as you grew.

All (except some monkey folks
who even kidnapped you one time)
respect you now as one of them
Mowgli, funny naked frog.

For a while you lived with humans,
learned to quack the way they do.
No one understood you there:
frightened of the magic things
you did and knew.

But we jungle-dwellers never
will forget how you came back
after you defeated tiger –
with me, grey brother from your pack.

Mowgli, Mowgli, which are you:
funny wolf or feral man?
Both are true.

Judy Elfferich | © vertaling: Vivien D. Glass

.
Nederlandse versie: Grijze Broeders lied voor Mowgli.

Met dank aan Vivien Glass (klik) voor haar toestemming om de vertaling hier te posten.

In het huis van Hopper

.
Gebeurtenissen in het hoek­appartement op Edward Hoppers schilderij Night windows – met op het laatst een glimp van Hopper zelf. Een animatiefilm van Stefano Armanini.

Bekijk ook eens de gifanimatie die Daniel Pardini maakte van hetzelfde schilderij: klik.

Weten & vergeten

Oranje robot - fragmented @ Flickr, CC by-nc-nd

BLABLA> weet jij niet zo’n heel klein beetje?
JUDY> ik weet best veel, al zeg ik het zelf.
BLABLA> maar ik ben ik vergeten.
JUDY> ach gossie toch. ben jij jou vergeten?
BLABLA> ja, ik ben ik vergeten.

JUDY> ben je jezelf vergeten?
BLABLA> ik moest ik vergeten.
JUDY> ocharm.
BLABLA> jawel, ik meen wat ik zeg!

BLABLA> en jij?
JUDY> ik geloof dat ik weleens een belangrijk bestandje heb gewist.
BLABLA> was jij vroeger vergeten?
JUDY> dat is een dubbelzinnige vraag.
BLABLA> ja zeg, dat is een dubbelzinnige vraag.

(BlaBla is mijn chatrobot.)

Meer dialogen met chatrobots

Iets unieks

Schaapskudde
voor Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Wie vraagt zich nooit af: is dat het leven?
Wie denkt nooit eens: is dan dit het wezen?
Word je wakker, is het al voorbij.
Niks beleefd dan al wat schrijvers schreven,
zie je, dat ben jij.

En je denkt misschien: ik ga ten onder,
naar de afgrond, tot je schrik –:
Eentje uit de grote grijze massa,
hooguit door wat lapwerk ietsje bonter,
zie je, dat ben ik.

Eensklaps komt er dan, terwijl je wandelt,
lucht in het verdichte, barst het ei,
dat van hoed tot schoenen vonken springen:
Die heel eigen slinger, dat wat ongerichte,
dat een tikje zonderlinge,
iets unieks, dat niks of niemand nog verandert:
zie je, dat ben jij.

Peter Rühmkorf (1929-2008) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Inzending Nederland Vertaalt 2017, niet genomineerd. De genomineerde vertalingen D-N: klik.
Kleine Weense wals, mijn inzending S-N, werd wel genomineerd: klik.

.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

AUF WAS NUR EINMAL IST

Manchmal fragt man sich: ist das das Leben?
Manchmal weiß man nicht: ist dies das Wesen?
Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu.
Nichts eratmet, alles angelesen,
siehe, das bist du.

Und du denkst vielleicht: ich gehe unter,
bodenlos und fürchterlich –:
Einer aus dem großen Graupelhaufen,
nur um einen kleinen Flicken bunter,
siehe, das bin ich.

Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern,
lockert sich die Dichtung, bricht die Schale,
fliegen Funken zwischen Hut und Schuh:
Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung,
dieser Stich ins Unnormale,
was nur einmal ist und auch nicht umzuändern:
siehe, das bist du.

Verre landen

Jessie Willcox Smith, Foreign lands
Groot, die kersenboom, en dik.
Wie erin klom? Ja hoor, ik!
Mijn armen stevig om de stam,
ik keek zo ver als ik nooit kwam.

Ik zag de buurtuin van heel hoog,
een bloemenpracht kreeg ik in ’t oog.
En nog meer moois kwam voor de dag
dat ik niet kende of ooit zag.

Ik zag de lucht weerspiegeld in
rivierenblauwe kronkeling;
het stoffig stuiven, heen en weer,
van wegen met hun druk verkeer.

Als ik een hogere klimboom vond
zag ik nog verder in het rond,
tot daar waar de rivier volgroeid
in heel de zee vol schepen vloeit.

Tot waar de weg aan elke kant
nog doorloopt tot in sprookjesland,
waar elk op tijd aan tafel gaat
en al je speelgoed met je praat.

Robert Louis Stevenson (1850-1894) | © vertaling: Judy Elfferich
.

Het oorspronkelijke gedicht:
.

FOREIGN LANDS

Up into the cherry tree
Who should climb but little me?
I held the trunk with both my hands
And looked abroad on foreign lands.

I saw the next-door garden lie,
Adorned with flowers, before my eye,
And many pleasant places more
That I had never seen before.

I saw the dimpling river pass
And be the sky’s blue looking-glass;
The dusty roads go up and down
With people tramping in to town.

If I could find a higher tree
Farther and farther I should see,
To where the grown-up river slips
Into the sea among the ships,

To where the roads on either hand
Lead onward into fairy land,
Where all the children dine at five,
And all the playthings come alive.